Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

46 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ďag`

  1. aan de dag leggen (=vertonen)
  2. aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
  3. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  4. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  5. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  6. als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  7. bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
  8. De dag met manden uitdragen (=Tijd verdoen)
  9. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven)
  10. een blauwe maandag (=erg kort)
  11. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  12. een Poolse landdag (=wilde, ongeregelde vergadering)
  13. een zondagse steek houdt geen week (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren)
  14. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft)
  15. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  16. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  17. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  18. er verstand van hebben als een kraai van een zaterdag (=er geen verstand van hebben)
  19. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  20. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  21. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  22. heden ten dage (=tegenwoordig)
  23. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
  24. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  25. het krieken van de dag/dageraad (=de vroege ochtend)
  26. hoe later op de avond/dag hoe schoner volk (=schertsend gezegd bij het laat binnenkomen van vrienden of familie)
  27. in de dagen van olim (=in vroeger dagen)
  28. jaar en dag (=al heel lange tijd)
  29. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
  30. kort dag zijn (=snel (in tijd) naderen)
  31. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  32. men moet de dag niet prijzen voor het avond is (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)
  33. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  34. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  35. overdag hebben waar men 's nachts van droomt (=alles zomaar in de schoot geworpen krijgen)
  36. pluk de dag (Carpe diem) (=geniet van vandaag)
  37. Poolse landdag (=een wilde, ongeregelde bijeenkomst)
  38. Rome is niet in één dag gebouwd (=relativeren: Leer geduld te hebben, overhaast niets)
  39. sinds jaar en dag (=al lange tijd)
  40. tot in lengte van dagen (=tot het einde der tijden)
  41. van de nacht een dag maken (='s nachts werken)
  42. verrijzen als paddenstoelen na een regenachtige dag (=plots tevoorschijn komen)
  43. voor dag en dauw (zijn) (=heel vroeg)
  44. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  45. werken zolang het dag is (=werken zo lang iemand kan)
  46. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)

21 betekenissen bevatten `ďag`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  3. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  4. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  5. een zondagse steek houdt geen week (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren)
  6. een tukje doen (=een kort middagslaapje)
  7. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  8. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  9. de gaande en komende man (=iedereen die komt opdagen)
  10. iemand de handschoen toewerpen (=iemand ergens toe uitdagen of met iemand de strijd willen aangaan)
  11. iemand het lemmer bieden (=iemand uitdagen)
  12. met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
  13. in de dagen van olim (=in vroeger dagen)
  14. Daar hangt het mes uit (=Men durft daar een grote uitdaging aan te gaan)
  15. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  16. zijn kat sturen (=niet komen opdagen)
  17. verstek laten gaan (=niet komen opdagen)
  18. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  19. gaar zijn (=uitgeput zijn, met name na geestelijke inspanning, bijvoorbeeld een hele dag vergaderen)
  20. Jong te paard, oud te voet. (=Wie in zijn jonge jaren verkwistend is, moet op zijn oude dag zuinig zijn)
  21. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen