Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


116 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `āge`

  1. Aan een been knagen (=Langdurig vergeefs bezig zijn)
  2. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden)
  3. als aan de grond genageld staan (=perplex staan)
  4. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  5. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  6. als de ragebol rust werkt de spin (=zonder onderhoud raakt `n huis (de omgeving) snel in verval)
  7. beslagen ten ijs komen (=goed voorbereid zijn)
  8. Beslagen ten ijs komen. (=Goed voorbereid zijn)
  9. bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
  10. dat staat op de agenda (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken worden)
  11. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  12. De dag met manden uitdragen (=Tijd verdoen)
  13. de dood op het lijf jagen (=schrik aanjagen)
  14. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  15. de duvelstoejager (=iemand die overal goed in is)
  16. de gestadige jager wint (=regelmatig doorzetten geeft het beste resultaat)
  17. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  18. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  19. de kat in de gordijnen jagen (=iemand goed kwaad maken)
  20. de koorts/stuipen op het lijf jagen (=doen schrikken)
  21. de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
  22. de paarden achter de wagen spannen (=de zaak verkeerd aanpakken)
  23. de palm wegdragen (=winnen)
  24. de poten onder iemands stoel wegzagen (=iemands positie verzwakken)
  25. de stuipen op het lijf jagen (=iemand felle schrik aanjagen)
  26. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  27. een gek kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden (=op gekke of onverwachte vragen weet men meestal het antwoord niet)
  28. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  29. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  30. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  31. een krakende wagen (=een onzekere zaak - iemand met een zwakke gezondheid)
  32. een kruiwagen hebben (=geholpen worden)
  33. een mooi span voor een bokkenwagen (=een zonderling koppel)
  34. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  35. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  36. een schop van een ezel kunnen verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  37. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
  38. een verborgen agenda hebben (=een doel hebben dat voor de anderen verborgen gehouden wordt, bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband)
  39. een vette keuken een mager testament (=wie veel uitgeeft tijdens het leven, laat weinig na)
  40. geen nagel hebben om zijn gat te krabben (=heel erg arm zijn)
  41. goed beslagen (=met de nodige kennis en ervaring)
  42. heden ten dage (=tegenwoordig)
  43. het beste paard van stal wordt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  44. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
  45. het eind zal de last dragen (=moeilijkheden en problemen komen vooral als het werk bijna af is)
  46. het hart hoog dragen (=erg trots zijn)
  47. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  48. het in de gort jagen (=in het honderd sturen)
  49. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  50. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)

157 betekenissen bevatten `āge`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  3. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  4. de zweep erop leggen (=afdrijven, opjagen)
  5. Stoom afblazen (=afreageren van emoties of spanningen)
  6. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  7. de toets kunnen doorstaan (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  8. vis begint aan de kop te stinken (=als een bedrijf een slecht management heeft)
  9. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  10. wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten (=als je iets doms doet, moet je de gevolgen dragen (liefst zonder klagen))
  11. waar een wil is is een weg (=als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel)
  12. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  13. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  14. Oude paarden jaagt men aan de dijk. (=Als men de taak niet meer goed aankan, wordt men ontslagen)
  15. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  16. op zijn stokpaard rijden (=altijd over hetzelfde praten of klagen)
  17. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  18. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  19. kinderen die vragen worden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  20. dat zet geen zoden aan de dijk (=dat is geen bijdrage van serieuze betekenis)
  21. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  22. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  23. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  24. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  25. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  26. het koren van de molen zenden (=de klanten wegjagen - zichzelf benadelen)
  27. door het kluisgat aan boord komen (=de lagere rangen doorlopen alvorens bevelhebber te worden)
  28. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  29. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  30. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  31. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  32. ergens een gooi naar doen (=een kans wagen of iets proberen te raden)
  33. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  34. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  35. op zijn baadje krijgen (=een pak slagen krijgen)
  36. een onbekookt plan (hebben) (=een plan hebben waar niet goed over is nagedacht)
  37. ergens bekaaid (van) afkomen (=een te lage prijs ervoor krijgen)
  38. gewicht in de schaal leggen (=een wezenlijk deel bijdragen)
  39. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  40. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  41. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  42. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  43. water en vuur zijn (=elkaar niet kunnen verdragen)
  44. mogen lijden (=er wel tegen kunnen - iemand wel kunnen verdragen)
  45. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  46. zijn botten kunnen tellen (=erg mager zijn)
  47. vel over been zijn (=erg mager zijn)
  48. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  49. ergens een streepje door lopen (=erg vreemd zijn/gedragen)
  50. in de hand werken (=ertoe bijdragen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen