Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


218 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ás`

  1. mijn naam is haas (=ik weet nergens van en wil er niks mee te maken hebben!)
  2. naast zijn schoenen lopen (=te veel eigendunk hebben)
  3. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  4. om een ladder te beklimmen begin je met de onderste sport. (Haastige spoed is zelden goed) (=)
  5. ongenode gasten zet men achter de deur (=wie niet welkom is, laat men niet binnen of laat men zo lang mogelijk wachten)
  6. Ook een raspaard schijt als een karhengst. (=Rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
  7. op de tast (=op het gevoel, zonder te zien)
  8. op ieder potje past wel een dekseltje (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner)
  9. op je tellen passen (=voorzichtig zijn)
  10. op zijn paasbest zijn (=op zijn best gekleed en goed verzorgd zijn)
  11. op zijn Pegasus stijgen (=een gedicht schrijven)
  12. pas op de plaats maken (=geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken)
  13. pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
  14. per cassa (=contant) (Latijn)
  15. per fas et nefas (=bij al wat heilig is) (Latijn)
  16. plak en gard ontwassen zijn (=ook zonder begeleiding wel kunnen leven)
  17. poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even zien, maar daarna is het voorbij)
  18. redenering van jan kalebas (=dwaze onlogische redenering)
  19. storm in een glas water (=ophef over niets)
  20. tabula rasa maken (=geheel herbeginnen - de boel helemaal opruimen)
  21. te diep in het glaasje kijken (=te veel alcohol drinken en daardoor erg dronken zijn)
  22. te hooi en te gras (=zonder enige regelmaat of plan)
  23. te pas en te onpas (=steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet)
  24. te/van pas komen (=iets goed kunnen gebruiken)
  25. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  26. tussen mal en dwaas zijn (=de bakvisleeftijd hebben)
  27. tussen twee stoelen in de as vallen (=er bekaaid vanaf komen)
  28. Tussen twee stoelen in de as zitten (=Niks uitvoeren / besluiteloos zijn)
  29. uit de as herrijzen (=opnieuw opbouwen na een brand)
  30. uit de kast komen (=voor je [seksuele] geaardheid uitkomen)
  31. uit de kluiten gewassen zijn (=erg stevig en groot zijn)
  32. uit het moeras helpen (=uit de problemen helpen)
  33. van de houvast zijn (=gierig of mager zijn)
  34. van zijn mast een schoenpin maken (=iets goeds bederven om iets van weinig waarde te bekomen)
  35. varen waar de grote mast vaart (=klakkeloos de baas volgen)
  36. vast in het zadel zitten (=zeker van iemands positie zijn in een organisatie)
  37. Vast in het zadel zitten. (=Een leider die niet makkelijk uit zijn positie te verwijderen is)
  38. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  39. vaste grond onder de voeten hebben (=weten waar men op steunt - in een goede positie verkeren)
  40. vaste voet aan de grond krijgen (=iets gedaan krijgen en/of als gebruikelijk beschouwd gaan worden)
  41. veel poespas (=veel overdrijven en drukte maken)
  42. verbaas u niet, verwonder u slechts (=letterlijk)
  43. vijgen na Pasen (=iets doen wat te laat komt)
  44. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
  45. voor de mast gediend hebben (=van gewone matroos opgeklommen zijn tot officier)
  46. voor de mast zitten (=niet opkunnen wat men op zijn bord heeft)
  47. Voor God een baard van vlas maken (=Schijnheilig zijn)
  48. voor Sinterklaas spelen (=alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen)
  49. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  50. Waar aas is vliegen kraaien (=Als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)

182 betekenissen bevatten `ás`

  1. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  2. het op iemand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
  3. het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
  4. Je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=Te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
  5. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  6. op tijd en stond (=ten gepasten tijde, af en toe)
  7. in het land der blinden is eenoog koning (=tussen dommeriken volstaat een klein beetje verstand om baas te zijn)
  8. geen vlieg kwaad doen (=uitsluitend goede bedoelingen hebben, niemand tot last zijn)
  9. van stuurboord naar bakboord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
  10. de drie h s op de rug hebben (=vast zitten, niet weg kunnen komen)
  11. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  12. uit zijn lood geslagen zijn (=verbaasd zijn, niet goed meer weten hoe het verder moet)
  13. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=voor iemand anders het gevaarlijke werk of een lastig klusje doen)
  14. Dat paard zal mij niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  15. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)
  16. je moet geen 'hei' roepen voordat je de brug over bent (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan)
  17. wat niet weet, wat niet deert (=waar je geen weet van hebt kun je ook geen last hebben)
  18. strenge heren regeren niet lang (=wanneer een baas niet een beetje soepel is wordt het voor hem erg moeilijk)
  19. als het melk regent, staan mijn schotels omgekeerd (=wanneer ergens iets voordeligs te verkrijgen valt, loop ik het steevast mis)
  20. de verloren zoon is terecht (=wat (of wie) al lang verloren was, is teruggevonden)
  21. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
  22. we zullen ze eens een poepie laten ruiken (=we zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie))
  23. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  24. iemand zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  25. wie voor het oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
  26. het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen (=wie in weelde leeft moet oppassen om niet op het slechte pad te raken)
  27. de speelman zit op het dak (=ze zijn pas gehuwd, hebben nog geen zorgen)
  28. op zand bouwen (=zich op niets baseren)
  29. de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)
  30. Zijn huik naar de wind hangen (=Zijn mening aanpassen naargelang de situatie)
  31. zo komt het kalfje weer bij zijn moer (=zo komt wat verloren was weer in orde)
  32. binnen de perken blijven (=zodanig beperkt blijven dat het niet te veel overlast of schade veroorzaakt)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen