Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


60 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `àde`

  1. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  2. adel verplicht (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen)
  3. advocaat van kwade zaken (=wie slechte zaken verdedigt)
  4. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit)
  5. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  6. arbeid adelt (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  7. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  8. de boter eruit braden (=het ervan nemen)
  9. de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
  10. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  11. De haring braden om de hom of kuit (=Iets opofferen om een kleinigheid)
  12. de lade lichten (=geld uit de lade halen)
  13. de langste adem hebben (=iets het langst volhouden)
  14. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  15. de wens is de vader van de gedachte (=je gelooft iets, omdat je wil dat het zo is)
  16. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  17. door schade en schande wordt men wijs (=een mens leert het beste van z`n fouten)
  18. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  19. Een blind paard zou er geen schade doen. (=Daar in huis is letterlijk niets meer)
  20. Een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=Een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  21. een kwade dronk hebben (=dronken zijn en slecht geluimd)
  22. een onzevader bidden in alle kapelletjes (=in alle cafés langsgaan)
  23. een zoon van zijn vader zijn (=het karakter van zijn vader hebben)
  24. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  25. genade vinden (=ergens geen straf voor krijgen of iets niet toegerekend worden)
  26. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  27. genadebrood eten (=door anderen onderhouden worden)
  28. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  29. het hemd is nader dan de rok (=eigen familie gaat voor)
  30. het huilen staat hem nader dan het lachen (=hij ziet er vooral de trieste kant van)
  31. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  32. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  33. iemand in het zadel helpen (=iemand aan een (goede) functie/positie helpen)
  34. iemand kunnen verraden en verkopen (=iemand veel te slim af zijn)
  35. iemand uit het zadel lichten (=iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan)
  36. iemand uit het zadel werpen (=iemand wegwerken, iemand in verlegenheid brengen)
  37. iemand van kwade trouw verdenken (=verdenken dat iemand bedriegt)
  38. iemands hete adem in je nek voelen (=merken dat een ander je bijna inhaalt; opgejut of opgejaagd worden)
  39. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  40. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  41. je laatste adem uitblazen (=sterven, doodgaan)
  42. meer laden dan men dragen kan (=te veel hooi op zijn vork nemen)
  43. men moet van twee kwaden het minste kiezen (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  44. met alle zonden van Israël beladen worden (=voor alles de schuld krijgen)
  45. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  46. platgetreden paden/wegen (=dingen die anderen al eerder gedaan hebben)
  47. stevig in het zadel zitten (=machtig zijn, een belangrijke positie hebben)
  48. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk handelend)
  49. uit het zadel lichten (=zijn rang of stand of betrekking doen verliezen)
  50. Uit het zadel wippen. (=Ontslaan of uit een functie zetten)

70 betekenissen bevatten `àde`

  1. Uit hetzelfde gat schijten (=1: Onafscheidelijke kameraden zijn. 2: Het met elkaar eens zijn)
  2. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  3. dat is een paal onder water (=dat brengt meer nadeel dan voordeel)
  4. de vogel is gevlogen (=de dader is was al weg (of gevlucht))
  5. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  6. het koren van de molen zenden (=de klanten wegjagen - zichzelf benadelen)
  7. homo homini lupus (=de mens benadert zijn medemens als een wolf)
  8. het middel is erger dan de kwaal (=de oplossing veroorzaakt nog meer schade)
  9. het kind van de rekening (=degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben)
  10. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  11. zich achter de oren krabben (=door een onverwachte, zorgelijke ontwikkeling tot nadenken gestemd zijn)
  12. het paard van Troje binnenhalen (=door onnadenkendheid of onnozelheid de vijand toelaten)
  13. in het zakje blazen (=een ademtest ondergaan)
  14. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  15. zich in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  16. ergens een gooi naar doen (=een kans wagen of iets proberen te raden)
  17. een tegenslag (=een onverwacht nadelig feit of voorval)
  18. zijn woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  19. niet over een nacht ijs gaan (=eerst nadenken voor men iets doet - geen risico's nemen)
  20. ergens een vuile pijp aan roken (=er veel nadeel van ondervinden)
  21. ergens een lelijke pijp aan roken (=er veel schade van ondervinden)
  22. iets wikken en wegen (=erg lang over iets nadenken en alle voors- en tegens afwegen)
  23. met de muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  24. ergens de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
  25. de lade lichten (=geld uit de lade halen)
  26. geld over de balk gooien (of smijten) (=geld verspillen, zonder nadenken uitgeven)
  27. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  28. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  29. een zoon van zijn vader zijn (=het karakter van zijn vader hebben)
  30. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  31. in de roos schieten (=het precies goed raden/doen)
  32. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  33. men moet zijn bed maken zoals men slapen wil (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  34. iemand de zwartepiet toespelen (=iemand benadelen)
  35. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  36. iemand vol lood pompen (=iemand genadeloos neerschieten)
  37. iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
  38. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
  39. wie vis heeft, moet ook de graat hebben (=je moet ook de nadelen accepteren (geen rozen zonder doornen))
  40. de balans opmaken (=kijken hoe iets verlopen is; nagaan of je ergens voordeel of nadeel van hebt gehad)
  41. Van een mooie / knappe tafel kun je niet eten. / Van een mooi bord kun je niet eten. (=Knap van uiterlijk heeft ook wel eens nadelen.)
  42. De haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=Men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  43. onder de loupe nemen (=nader bekijken, aandachtig bestuderen)
  44. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  45. ledigheid is des duivels oorkussen (=niets te doen hebben leidt tot misdaden)
  46. een stok vinden om de hond te slaan (=om maar iemand te kunnen bekritiseren een nadelig punt vinden)
  47. op de hals schuiven (=opzadelen met)
  48. een aardje naar zijn vaartje hebben (=qua karakter op zijn vader lijken)
  49. ergens een slag naar slaan (=raden)
  50. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen