Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` zwak`

  1. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  2. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  3. een zwak voor iets of iemand hebben (=iets/iemand leuk of aardig vinden)
  4. in iemands zwak tasten (=iemand op een gevoelige plek raken)

9 betekenissen bevatten ` zwak`

  1. zijn achilleshiel zijn (=de zwakke kant/plek van iemand zijn)
  2. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge woord hebben)
  3. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  4. tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  5. een krakende wagen (=een onzekere zaak - iemand met een zwakke gezondheid)
  6. geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
  7. een ketting is niet sterker dan de zwakste schakel (=het geheel is maar zo sterk als het zwakste onderdeel)
  8. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  9. een reus op lemen voeten (=schijnbaar sterk maar in feite zwak)

Het dialectenwoordenboek kent 14 spreekwoorden met ` zwak`

  1. Munsterbilzen - Minsters: get on zene meteur höbbe (=een zwak hart hebben)
  2. Gronings: n minsk is gain eerappel (=het vlees is zwak)
  3. Tiens: aat ouw zen kas gekroupe (=zwak mager persoon)
  4. Peers: zwaakspiekig (=heel zwak)
  5. Zottegems: de luut en den beir (=de zwakke en de sterke)
  6. Munsterbilzen - Minsters: zoe din aste liefde (=het is maar zwak gesteld met...)
  7. Waregems: ie n' e moa veur azooë te laat'n (=hij voelt zich zwak)
  8. Brakels: zijn toater wert dunne (=zijn uitspraken worden zwak)
  9. Aalsters: een betjen achterlek (=zwak mentaal gehandicapt)
  10. Weerts: 'ne Naate paol es gauw beraengeltj (=Iemand die zwak is, wordt vlug ziek)
  11. Westerkwartiers: 't gijt altied over de onneuzelst'n (=zwakke mensen zijn altijd het mikpunt)
  12. Oudenbosch: das ne slappe gezoutene (=dat is een zwak iemand)
  13. Munsterbilzen - Minsters: bloeës nie te hêl aste métten zwakke bloës zits (=de trompetist heeft ernstige blaas-problemen)
  14. Tilburgs: hij heej ok nie veul bij te zètte, dieje schraole (=hij is ook nogal zwak, die magere man)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen