Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` zout`

  1. als een zoutpilaar (=onbeweeglijk, stijf)
  2. een zak zout met iemand gegeten hebben (=iemand al lang kennen)
  3. heb je het ooit zo zout gegeten (=heb je het ooit zo straf meegemaakt)
  4. het zo zout nog niet gegeten hebben (=het zo slecht nog nooit meegemaakt hebben)
  5. het zout in de pap niet waard zijn. (=niets presteren.)
  6. het zout in de pap verdienen. (=heel weinig verdienen)
  7. iets met een korreltje zout nemen. (=iets niet helemaal voor waarheid aannemen.)
  8. met het zout komen als het ei op is. (=met een oplossing komen als het probleem er niet meer is)
  9. met zout komen als het ei op is (=te laat komen (met een oplossing))
  10. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een klein inkomen hebben)
  11. op alle slakken zout leggen (=op alle onbelangrijke dingen commentaar hebben)
  12. op iedere slak zout leggen (=overal opmerkingen op maken)

Eén betekenis bevat ` zout`

  1. cum grano salis (=met een korreltje zout!)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met ` zout`

  1. Nieuwerkerks: e stiksken int zaat steken (=vlees zouten)
  2. Brabants: zo zout as brem (=erg zout)
  3. Westerkwartiers: 't zolt ien e zuup'mbrij (=het zout in de pap)
  4. Zoutleeuws: Ich goan no Bets deize kant Bunge (=Ik ga slapen)
  5. Zoutleeuws: hedder goed geslope (=heb je goed geslapen)
  6. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=kerremis)
  7. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=nieuwe aardappels)
  8. Zoutleeuws: hedder goed geslopen (=heb je goed geslapen)
  9. Flakkees: te lucht gezouten (=iets waar te weinig zout in zit)
  10. Dendermonds: Oitgeschove is uek gedanst (=Bij te veel zout/peper op het eten)
  11. Oudenbosch: daddis sjuust van zoute (=dat is precies goed van smaak)
  12. Zoutleeuws: gojt voetsj bè oure nèile (=ga weg met die flauwe kul)
  13. Zoutleeuws: Ghed a gezicht gelek ene van de ellef ure mes. (=Je lijkt niet uitgeslapen.)
  14. Zoutleeuws: gajt voetsj bè oure nèile (=ga weg met die flauwe kul)
  15. Oudenbosch: ut zout in de pap nie verdiene (=nauwelijks iets verdienen)
  16. Waregems: peepr' en zout (=gedeeltelijk grijzende haardos)
  17. Barnevelds: Mit 't zout komme as 't ei op is (=mosterd na de maaltijd)
  18. Zoutleeuws: wa zedder na ant fokkedére (=wat ben je nu aan het maken)
  19. Zeeuws: ei t oeait zo zout eheten (=raak)
  20. Sallands: Een fraue hef zolt water uut de kettel in 'n bäkkie of pöttie edaone. (=Een vrouw heeft zout water uit de ketel in een bakje of potje gedaan.)
  21. Zoutleeuws: Zef, Zul en Sarel dronke zeneivel eit en zat (=Jef, Julle en Charel dronken jenever uit een kop)
  22. Westfries: Die trekt gien zout (=Hij geeft geen krimp, het doet hem heel weinig)
  23. Oudenbosch: ge mottum wa zout op z ne steert le-ge (=zie hem te pakken te krijgen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen