Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


85 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` zie`

  1. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  2. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  3. apen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  4. dat horen en zien je vergaat (=erg luid)
  5. De beren zien dansen (=Honger hebben)
  6. De ene bedelaar ziet de andere niet graag voor de deur staan (=Men is bang voor concurrentie)
  7. de hakken laten zien (=zich uit de voeten maken)
  8. de horens laten zien (=zich vijandig tonen)
  9. de kans schoon zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  10. de ogen zijn de spiegels der ziel (=in de ogen van een persoon herkent men het karakter)
  11. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  12. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  13. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  14. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  15. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  16. die staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  17. dode honden bijten niet (al zien ze lelijk) (=van doden is geen gevaar te duchten)
  18. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  19. door de bomen het bos niet meer zien (=door alle details het overzicht verliezen)
  20. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  21. door de ziel gaan (=erg pijnlijk of verdrietig zijn)
  22. een ziekte komt te paard en gaat te voet (=men wordt snel ziek maar genezen duurt lang)
  23. Een ziekte komt te paard en gaat te voet. (=Snel ziek worden, maar langzaam genezen)
  24. elk ziet door zijn eigen bril (=ieder ziet het op zijn eigen manier)
  25. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  26. ergens geen brood in zien (=niet denken dat iets kan werken)
  27. ergens geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  28. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  29. eruit zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
  30. eruit zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, harkerig uitzien)
  31. eruit zien om door een ringetje te halen (=er keurig uitzien)
  32. Eten en drinken houdt lijf en ziel bijeen. (=Eten en drinken blijven levensbehoeften.)
  33. geen hand voor ogen zien (=zich in totale duisternis (of dichte mist) bevinden)
  34. geen zier (=niets)
  35. groen zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  36. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  37. het licht doen zien (=publiceren)
  38. het licht zien (=geboren worden, ontstaan)
  39. het licht zien (=begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep, een oplossing komt in zicht)
  40. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  41. Hij kan door een eiken plank zien als er een gat in zit (=Hij is niet zo bijzonder als hij zich voordoet)
  42. hij ziet ze vliegen (=niet goed bij het verstand zijn)
  43. hoe hoger het hart, hoe lager de ziel (uit het Fries) (=hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
  44. hoe meer zielen, hoe meer vreugd (=hoe meer mensen er bij zijn, hoe leuker dat het is)
  45. horen zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
  46. iemand de hielen laten zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
  47. iemand naar de ogen zien (=pas iets doen als de ander toestemming geeft)
  48. iemand naar de ogen zien (=trachten zijn wensen te raden)
  49. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  50. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)

85 betekenissen bevatten ` zie`

  1. save our souls (=(S.O.S) Redt onze zielen)
  2. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  3. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  4. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien)
  5. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien)
  6. niet in een goed vel steken (=altijd ziek zijn, nooit gezond)
  7. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  8. apen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  9. leeuwen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  10. met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
  11. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  12. zo zwart zien als een moor (=bijzonder zwart zien)
  13. Kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek zien)
  14. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden)
  15. water bij de wijn doen (=compromissen zien te sluiten)
  16. achter de schermen (=daar waar men het niet ziet)
  17. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  18. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  19. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  20. ergens geen kijk op hebben (=de oplossing niet zien)
  21. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  22. in het gevlij komen (=doen wat iemand graag ziet om in de gunst te komen)
  23. liefde is blind (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  24. Het beste paard van stal vergeten. (=Een belangrijk persoon over het hoofd zien)
  25. een doos van Pandora zijn (=een bron van problemen, ellende, ziekte en misère zijn)
  26. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte leidt tot uitputting)
  27. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. zie getij)
  28. een hard hoofd in iets hebben (=er geen oplossing in zien)
  29. ergens geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  30. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in zien)
  31. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in zien)
  32. ergens oren naar hebben (=er wel iets in zien)
  33. van voren niet weten of men van achteren leeft (=erg dom zijn / erg ziek zijn)
  34. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag zien)
  35. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  36. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  37. zijn ogen vertrouwen (=geloven wat men ziet)
  38. met de ogen verslinden (=heel erg graag zien)
  39. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  40. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te zien)
  41. het is maar een strovuurtje (=het ziet er erg uit, maar het is snel voorbij)
  42. haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht zien)
  43. men zou hem een aalmoes geven (=hij ziet er armoedig uit)
  44. Hij heeft aardappelbloed (=Hij ziet er ongezond uit)
  45. het huilen staat hem nader dan het lachen (=hij ziet er vooral de trieste kant van)
  46. hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
  47. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  48. elk ziet door zijn eigen bril (=ieder ziet het op zijn eigen manier)
  49. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
  50. iemand op de proef stellen (=iemand testen om te zien of die te vertrouwen is of het aan kan)

Het dialectenwoordenboek kent 245 spreekwoorden met ` zie`

  1. Bocholtz: ziegele (=zegels)
  2. Waregems: ah sietsie ! zietsewel da 't woar e! (=ziejewel !)
  3. Veurns: 't gat in zieen (=ervandoor gaan)
  4. Steins: Wied en zied (=Heinde en verre)
  5. Liemers: Dén wörm is en blief 'n stakker (=Arm ziekelijk kind)
  6. Poperings: ze zien zieder (=zij zijn)
  7. Sint-Niklaas: die zieken zie zijne peéren nogal (=die zieke man ziet af)
  8. Oldambsters: aan zied goan (=naar bed gaan)
  9. Neerpelts: ziedde gek (=ben je gek)
  10. Deinzes: 't ès om ziebe (=Het is kapot)
  11. Steins: 'ne kop wie ein ziej/zeef höbbe (=Vergeetachtig zijn)
  12. Lokers: ij gou veruit gelijk ne zieeldroujer (=Hij gaat achteruit)
  13. Koersels: in deij koffie zieder scherpenheuvel ooch (=slappe koffie drinken)
  14. Kerkraads: ziech der kül bieëne (=luieren)
  15. Genneps: ooreemes zie.n (=dood, stuk gaan)
  16. Hansbeeks: 't es om ziebe (=Het is stuk)
  17. Geels: 't ziejevert (=De regenval is erg schaars)
  18. Geels: ziejevert naa niemieje! (=zeur zo niet!)
  19. Mestreechs: zoe kroomp wie un ziekel (=krommer bestaat niet)
  20. Bilzers: zieg mér dattet haus nie optech énvült (=je bent een echte huiskat)
  21. Olens: Da dis ziejever in pakskes (=Dat is pure onzin)
  22. Mestreechs: heer köp ziech 'n ieske (=hij koopt een ijsje)
  23. Brakels: ge ziejln't vazeleven nie klap'n (=je zult het nooit weten)
  24. Budels: Ziejje gi ni goe wiejs? (=Ben je niet goed wijs?)
  25. Westerkwartiers: da's wied en zied bekend (=dat weet men in de wijde omtrek)
  26. Liedekerks: kem zieje o men biejen (=Ik heb pijn aan men been)
  27. Westerkwartiers: wij stoan'n an 'e ziedlien (=wij doen niet echt meer mee)
  28. Achterhoeks: ziege um de aorne gevven (=draai om de oren geven)
  29. Bachten de kupes: zieje gie van bachten de kupe? (=zijt gij achterlijk?)
  30. west-vlaams: wienne ziej antkraam-foefln (=wat ben je bezig)
  31. Siebengewalds: ziede geej wel wies?! (=ben je gek geworden?!)
  32. Bosch: ziede gij me gère (=mag jij me graag)
  33. Temse: Da ziede van ier (=Geen sprake van!)
  34. Tilburgs: ziede gij men gère ? (=vind je me leuk ?)
  35. Bachten de kupes: ziejegie op je kop gestuukt (=zijt gij op uw hoofd gevallen)
  36. Zichers: ziech doa, e zwèngelmensje (=Kijk daar, een zwaluw)
  37. Tilburgs: ziede wèl , dè hèk aatij al gezeej gehad (=zie je wel, dat heb ik altijd al gezegd.)
  38. Langemarks: zieje van e noze gepoept? (=je gaat veel te snel)
  39. Iepers: zieje hi e kiekn! (=tegen iemand die iets verkeerd doet)
  40. Hansbeeks: Da ziede van hiere (=Dat geloof ik niet)
  41. Horster: wao ziede geej d'r enne va? (=hoe heet jij?)
  42. Diesters: zoeë ziek as nen hond zen (=zeer ziek zijn)
  43. Westerkwartiers: hij gijt gien strobreed uut zied (=hij geeft totaal niets toe)
  44. Siebengewalds: Wat ziede gej enne akelige hond! (=Wat ben jij een oplichter!)
  45. Beerses: in de lapmand liggen (=ziek zijn)
  46. Westerkwartiers: dat het moar ziedelings met mekoar te moak'n (=dat heeft maar weinig raakvlakken)
  47. Budels: zieje mich, oet an schélle? (=ben je mij uit aan het schelden?)
  48. Wommersoms: ig zen zoewe ziek as nen hond (=ik ben ziek)
  49. Antwerps: da ziede vanier (=ben niet akkoord)
  50. Oudenbosch: anders motte scheel kijke dan ziede't dubbel (=kunde 'tzien ?)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen