Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 570 spreekwoorden met ` zic`

  1. Mestreechs: unne punt draon lölle (=zich met een smoes ergens vanaf maken)
  2. Genneps: Iets wied van zich af smiete (=Het ergens helemaal niet mee eens zijn)
  3. Westerkwartiers: elk veur zich, God veur ons all'n (=ik voel me niet verantwoordelijk voor jou)
  4. Sint-Niklaas: zich verklappen (=per ongeluk iets zeggen wat men niet wou)
  5. Sint-joasters: euver zich verkriege (=zich met de nodige twijfels ergens toe zetten)
  6. Sittards: Hae haet väöl wèndj naeve zich (=Hij heeft het hoog in zijn bol)
  7. Geels: dieje is oonder zich oawet, diej hee balle oan zen lijf (=hij is niet op zijn mondje gevallen)
  8. Hulsbergs: d'r haet zich al ins eine doead gesjöd (=tegen iemand die de kaarten te traag schudt:)
  9. Lebbeeks: krouijt: Zij' krouijt trekken (=Zich kunnen behelpen, zijn plan trekken)
  10. Eys: zich enge brieëm durrech chen vót riete (=gierig zijn)
  11. Horster: heej schrieft zich Janssen (=hij heet Janssen)
  12. Bilzers: Dat lit zich aete (=Dat is lekker)
  13. Steins: emes dae zich 't baord van zien vot aaf sjit (=diarreelijder)
  14. Steins: emes de wach aan zègke (=iemand waarschuwen zich in acht te nemen)
  15. Heerlens: Wie sjrief deë/die zich? (=Hoe heet hij/zij?)
  16. Munsterbilzen - Minsters: zich lotte loempe (=zijn kaas laten afnemen)
  17. Bilzers: zich de been onder et lijf autloope (=zeer hard lopen)
  18. Waregems: genèrde gij oi 'n beetse ? (=bevalt het u, voelt u zich hier prettig, kunt u zich behelpen?)
  19. Westerkwartiers: een die at op berre leit moedem stilhollneen een, dien (=is mag zich ner is mag zich nergens mee bemoeiengens mee bemoeieniemand die ziek)
  20. Genneps: zich d'n balg volslaon (=vreetzuchtig)
  21. Tielts: in den ut zit'n (=in de hut zitten (zich slecht voelen))
  22. Munsterbilzen - Minsters: hae kroenkelt waajen slang (=de dierenoppasser lacht zich een aap)
  23. Lichtervelds: je sloat er zne noak in (=hij bemoeit zich in een gesprek)
  24. Gents: ij ee gevochte laak nen duvel in een wijwoatervat (=hij heeft zich verweerd)
  25. Waregems: ie zit in mijn rop'n (=hij moeit zich met mijn zaken)
  26. Waregems: ie ploeit em dubble (=hij toont zich bijzonder onderdanig)
  27. Lichtervelds: je voagt er ze gat an (=hij trekt het zich niet aan)
  28. Volendams: ij geuft gien drait (=hij laat niets van zich horen)
  29. Lichtervelds: jis bizzig toeddn met e gès (=hij laat zich bezighouden)
  30. Westerkwartiers: hij schrok 'em 't oapezuur (=hij schrok zich het apezuur)
  31. Waregems: ie voelde 'em duustfichtig (1050) (=hij voelde zich uitstekend)
  32. Lichtervelds: je zoed eetn dat ne frang is (=hij zou zich ziek eten)
  33. Oudenbosch: jaa daor zee-gde gij wa (=ja dat spreekt voor zich)
  34. Brakels: verstervinge doen (=iets zich ontzeggen, met veel moeite)
  35. Lokers: ij is in zijn gat gebeten (=iemand die zich beledigd voelt)
  36. Westerkwartiers: die geld het ken stuut koop'n (=rijken kunnen zich veel permitteren)
  37. kortemarks: jeet em loatn vliendern (=hij heeft zich laten bedriegen)
  38. kortemarks: je sloat ovrol znen oak in (=hij bemoeit zich overal mee)
  39. Tilburgs: zis hoej haj bèm (=zes hoeden had hij bij zich)
  40. Waregems: skoi zijn van zijn ei(g)n skauwe (=zich bangelijk gedragen)
  41. Sint-Niklaas: 'k bèn dur tegenoan getist (=zich ergens zacht tegen stoten)
  42. Genneps: Gèn pèèr wèrd zien (=Zich niet goed, lekker voelen)
  43. Veurns: 'r achterste van je toenge nie loat'n zieën (=zich niet laten uithoren)
  44. Genneps: schiete as enne rè.jger (=Zich veel, vaak en dun ontlasten)
  45. Kinrooi: Dao zitj versjil in e veugelke det zich doeëdflötj en e ein fluit diej zich doeëdvogeltj. (=Er zit verschil in een vogeltje dat zich dood fluit en een fluit die zich doodvogelt.)
  46. Weerts: 't es wat te zegge asje mét aoj wiêver motj gaon egge; ze verrékke det ze trékke, ze houwe en ze slaon en asje saovus toês kotj, hejje nog niks gedaon (=een wat oudere vrouw laat niet met zich sollen)
  47. Liessents: ons joong hebben goed l*llen, mar ons maiden hebben gin kloute an d'r k*nt (=een Lieshoutse vrouw, die zich beklaagt bij haar man over hun jongens die altijd voorgetrokken worden)
  48. Koersels: Ze gat dur de haag stjeken (=Op het moment dat het er toe doet zich er niets meer van aan trekken en de anderen het probleem laten oplossenlaten oplo)
  49. Roermonds: Dae zal zich waal in zien eige metske dooloupe (=Hij zal wel aan zijn oneerlijkheden ten gronde gaan)
  50. Liemers: Hentum van Bentum draei-j den end um anders verbrentum (In kwazie latijn). (=Pastoorsmeid Hentje van Bentum was ook de koster en hadden eend in de pan die dreigde aan te branden onder de hoogmis de pastoor draaide zich om en zong:)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen