Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




123 betekenissen bevatten ` zic`

  1. zijn eigen graf graven/delven (=het voor zichzelf bederven)
  2. ter harte nemen (=het zich aantrekken)
  3. ergens lak aan hebben (=het zich helemaal niet aantrekken)
  4. Hij kan door een eiken plank zien als er een gat in zit (=Hij is niet zo bijzonder als hij zich voordoet)
  5. Hij speelt op de kaak (=Hij stelt zich aan)
  6. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
  7. ieder trekt aan zijn streng (=ieder kiest voor zichzelf)
  8. elk vogeltje zingt zoals het gebekt is (=ieder laat zich uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden)
  9. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  10. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  11. iemand op het matje roepen (=iemand bij zich laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
  12. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
  13. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  14. een gewaarschuwd mens telt voor twee (=iemand die vooraf weet wat er fout kan gaan moet zich er maar op voorbereiden)
  15. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  16. Een hennentaster (=Iemand die zich druk maakt om ongelegde eieren)
  17. een gladde vogel (=iemand die zich overal weet uit te redden op slinkse wijze)
  18. de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
  19. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  20. ergens als een berg tegen opzien (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  21. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  22. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zich niet door de spanning laten meeslepen)
  23. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  24. zich wel voor de kop kunnen slaan (=kwaad zijn op zichzelf over het feit dat men ergens niet aan gedacht heeft)
  25. schijt hebben aan (=lak hebben aan, zich niets aantrekken van)
  26. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  27. de gelegenheid maakt de dief (=men laat zich gemakkelijk verleiden door een goede gelegenheid)
  28. men moet hooien als de zon schijnt (=men moet de gelegenheid gebruiken als die zich voordoet)
  29. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  30. men moet straten voor stegen kennen (=men moet weten tot wie men zich wendt)
  31. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  32. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  33. Waar het paard aangebonden is, moet het vreten. (=Men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  34. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  35. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  36. zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten (=men ziet de anderen zoals men zichzelf ziet)
  37. tussen twee vuren zitten (=moeten kiezen tussen twee onaangename mogelijkheden, zich bevinden tussen twee ruziemakers)
  38. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  39. geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
  40. nog niet op eigen benen kunnen staan (=nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden)
  41. voor de boeg hebben (=nog voor zich hebben, te wachten staan)
  42. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  43. zonder blikken of blozen (=onbeschaamd, zonder zich iets van anderen aan te trekken)
  44. de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
  45. met een schone lei beginnen (=opnieuw mogen beginnen, zonder dat misstappen uit het verleden nog zichtbaar zijn)
  46. zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)
  47. Tegen de stroom is het kwaad roeien / zwemmen (=Tegen algemene opvattingen kan men zich moeilijk verzetten)
  48. zijn tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
  49. haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
  50. zich van de hals houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)

Het dialectenwoordenboek kent 570 spreekwoorden met ` zic`

  1. Zichers: ich wè nej (=ik weet niet)
  2. Hoogstraats: Dieje denkt da zenne stront ni stinkt (=Hij vindt zichzelf beter dan een ander)
  3. Zichers: wat hubste veil? (=wat hebt ge aan de hand?)
  4. Westerkwartiers: hij voelt 'em lammenoadeg (=hij voelt zicht niet best)
  5. Weerts: zich zelf 'n vaer inne koont staeke (=een hoge dunk van zichzelf hebben)
  6. Westerkwartiers: hij hoalt zich heul wat op 'e haals (=hij maakt het zichzelf niet gemakkelijk)
  7. Amsterdams: Hij besodemieterd s'n eigen (=Hij bedonderd zichzelf)
  8. Veurns: in z'n eig'n viengers snieën (=zichzelf benadelen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: get op ze daok haole (=zichzelf wat aandoen)
  10. Westerkwartiers: zij zicht mij met de nek aan (=zij ziet mij niet staan)
  11. Sint-Niklaas: zich opboteren, zich optalloren (=zich opsmukken)
  12. Munsterbilzen - Minsters: eege stoef stink (=let maar op met iemand die zichzelf bewierookt)
  13. Westerkwartiers: hij het luuk'n veur de oog'n (=hij heeft alleen aandacht voor zichzelf)
  14. Munsterbilzen - Minsters: hae kan zen eege nie verdraoge (=hij ligt met zichzelf in een knoop)
  15. Waregems: iej ee nogal veel beslag, mee ol zin pretn (=hij wil opvallen, hij looft zichzelf)
  16. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen twei peitsjes opte grond blijve (=heel gewoontjes en zichzelf blijven)
  17. Munsterbilzen - Minsters: wae zen naos sjojt, sjojt zen heil gezich (=wie zijn familie te schande is, schaadt ook zichzelf)
  18. Westerkwartiers: zij dragt 't haart hoog (=zij heeft een hoge dunk van zichzelf)
  19. Zichers: dich geleifs dat de piepele hooi aîte (=wat ben je naief)
  20. Westerkwartiers: die lopt niet ien zeuv'm sloot'n tegeliek (=die redt zichzelf wel)
  21. Munsterbilzen - Minsters: hae wor foetsjie (=de goochelaar toverde zichzelf weg)
  22. Lichtervelds: jis van dn duuvle bezeetn (=hij weet met zichzelf geen raad)
  23. Lokers: De kapaale kruuënen (=Opdirken (zich))
  24. Munsterbilzen - Minsters: stoom aoflotte (=zich ontspannen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: zich kepot versjiete (=zich een aap verschrikken)
  26. Venloos: Zich zoeë gruuëts veule wie eine paerdskeutel (=Zich apetrots voelen)
  27. Roermonds: zich danig opriete (=zich behoorlijk druk maken)
  28. Venloos: Zich dieke bein make (=Zich ergens over opwinden)
  29. Sevenums: zich wet konne leisten (=zich iets kunnen permitteren)
  30. Munsterbilzen - Minsters: zich aut zen tent lotte lokke (=zich laten uitdagen)
  31. Zichers: het doag nei (=het is niet goed/lekker)
  32. Zichers: 't haddelt (=het gaat zo zo)
  33. Zichers: ziech doa, e zwèngelmensje (=Kijk daar, een zwaluw)
  34. Zichers: Ich goan doa heir (=Ik ga daar naartoe)
  35. Zichers: Hey, kievela! (=Wie we daar hebben!)
  36. Twents: Zikzölf priezn is ongepast, mer schaadn döt 't meesttieds nich (=Zichzelf prijzen is ongepast, maar schaden doet het meestal niet)
  37. Zichems: e stoem glujenteg huuëd (=grote stommerik)
  38. Zichems: iejene gaun drauze oept gemak (=naar de wc gaan)
  39. Veurns: ze gat uutsteken (=zich inspannen)
  40. Deinzes: An uin aap sleuren (=Zich masturberen)
  41. Steins: zich gepaeskeuteld veule (=zich opgelaten voelen)
  42. Sint-Niklaas: buzze geven (=zich haasten)
  43. Susters: doa besjut er zich veur (=hij laat zich kennen)
  44. Twents: zich an de kookaante hoalen (=zich afzijdig houden)
  45. Munsterbilzen - Minsters: zich van den doeme haage (=zich afzijdige houden)
  46. Munsterbilzen - Minsters: zich vür den doeme haage (=zich onnozel voordoen)
  47. Kerkraads: zich 'lazarus' drinken (=zich styn drinken)
  48. Mechels (NL): Zich aafkriege (=Zich zelf bedienen)
  49. Munsterbilzen - Minsters: zich lotte nije (=zich bijna laten smeken)
  50. Munsterbilzen - Minsters: zich vergiet zaupe (=zich lazarus drinken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen