Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


32 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` zic`

  1. als niet komt tot iet kent iet zichzelf niet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  2. bang zijn zich aan koud water te branden (=erg voorzichtig zijn)
  3. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  4. de hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  5. de muts zich verkeerd staan (=een slecht humeur hebben)
  6. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  7. de tijd aan zich hebben (=weinig of niets te doen hebben)
  8. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  9. goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
  10. het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  11. het met zich zelf niet eens zijn (=niet kunnen beslissen)
  12. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  13. hij gedraagt zich als een baars (=hij is zeer onhandig)
  14. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  15. Hij laat zich de kaas niet van het brood eten. (=Opkomen voor iets.)
  16. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  17. ieder voor zich en God voor ons allen (=niemand helpt elkaar)
  18. iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door eigen toedoen boos maken)
  19. iets over zich hebben (=een bepaalde indruk geven)
  20. in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
  21. Men moet zich krommen, wil men door de wereld kommen (=Men moet er wat voor over hebben om iets te bereiken)
  22. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=Alleen wie zelf slecht is denkt slecht over anderen)
  23. onder zich hebben (=baas zijn over)
  24. op zich laten zitten (=aanvaarden zonder tegenstand)
  25. van zich afbijten/afslaan (=zich fel verdedigen)
  26. Wat de een niet lust, daar eet een ander zich dik aan. (=Smaken verschillen.)
  27. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
  28. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben)
  29. wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld)
  30. wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzichtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
  31. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
  32. zijn schepen achter zich verbranden (=obstinaat doorgaan, zodanig dat men niet meer terug kan)

123 betekenissen bevatten ` zic`

  1. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  2. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  3. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  4. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  5. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  6. de volle laag krijgen (=alles over zich heen krijgen)
  7. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  8. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  9. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  10. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  11. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  12. het licht zien (=begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep, een oplossing komt in zicht)
  13. er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
  14. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  15. het bloed kruipt waar het niet gaan kan (=de aard verloochent zich nooit)
  16. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  17. het bloed spreekt (=de familieband doet zich opmerken)
  18. zijn ei kwijt kunnen (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)
  19. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover rijken)
  20. het koren van de molen zenden (=de klanten wegjagen - zichzelf benadelen)
  21. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  22. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  23. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  24. zij hebben een te grote broek aangetrokken (=die organisatie heeft een doel op zich genomen waarvoor ze niet de benodigde capaciteiten, financiële middelen en/of invloed heeft)
  25. schijn bedriegt (=dingen zijn niet altijd zoals ze zich voordoen)
  26. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juist extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)
  27. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  28. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  29. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  30. een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
  31. geen boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
  32. de schouders ophalen (=er zich niets van aantrekken - er niets over willen weten)
  33. een brave Hendrik zijn (=erg braaf zijn of zich zo voordoen)
  34. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  35. een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen)
  36. dat raakt mijn koude kleren niet (=ergens niets mee te maken hebben en zich niet voor interesseren)
  37. ergens zijn tenten opslaan (=ergens verblijven, zich ergens vestigen)
  38. iets aan banden leggen (=ervoor zorgen dat iets zich niet verder kan uitbreiden)
  39. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  40. zo glad als een aal (paling) (=geslepen, uitgekookt, iemand die zich overal uitpraat)
  41. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  42. op zijn dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te haasten)
  43. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  44. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  45. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  46. beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
  47. beter blo(de) Jan dan do(de) Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  48. geen graten in iets vinden (=het niet erg vinden, zich er niet aan storen)
  49. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  50. zijn eigen glazen ingooien (=het voor zichzelf bederven)

Het dialectenwoordenboek kent 570 spreekwoorden met ` zic`

  1. achterhoeks: zich bedoon (Ze hef zich bedaone) (=zichzelf onderplassen/poepen)
  2. Westerkwartiers: 't enne is ien zicht (=het einde is in zicht)
  3. Sint-Niklaas: ès zoe krom as een zichel (=hij loopt helemaal krom)
  4. Westerkwartiers: zichst d'r niet uut (=je ziet er niet uit)
  5. Bilzers: loop nao terdievel (=ga uit mijn zicht !)
  6. Munsterbilzen - Minsters: krijgte krampe énzen Kl... (=uit mijn zicht!)
  7. Waregems: zet da wig (=plaats dat uit het zicht)
  8. Westerkwartiers: zichst nou wel ? (=zie je nou wel ?)
  9. Munsterbilzen - Minsters: hae lèt fël noë (=hij wordt zichtbaar oud)
  10. Waregems: preus lijnk veeërte (=zichtbaar trots, fier)
  11. Sint-Niklaas: ei loûpt soe krom as ne zichel (=hij loopt helemaal krom)
  12. Moes: blak en bluët (=in het zicht)
  13. Westerkwartiers: zichst er mietereg uut (=je ziet er slecht uit)
  14. Merenaars: elk zèn keust (=iedereen voor zichzelf)
  15. Olens: Ha trekt zeullef oan zen pitje (=Hij bevredigd zichzelf)
  16. Munsterbilzen - Minsters: zen eege rauten èngoje (=zichzelf schade berokkenen)
  17. Munsterbilzen - Minsters: zen eege raute èngoje (=zichzelf schade toebrengen)
  18. Bilzers: zen hoeëre autte kop trékke (=zichzelf verwensen)
  19. Brakels: ij got nie lenge ne mir trek'n (=zijn einde is in zicht)
  20. Ransts: die is ok tejgen nen hoek van een ronde tofel gelopen (=iemand die zichtbaar zwanger is)
  21. Zichers: genein nemé zegge (=verbaasd zijn)
  22. Lebbeeks: blak: Blak en bloeët (=Goed zichtbaar, opvallend)
  23. Zichems: van zenne sus zaien (=buiten westen zijn)
  24. Eibergs: Hoar op de diek (=Een vrouw in zicht)
  25. Zichers: bij os (=thuis)
  26. Zichems: nau 't hasjke gaun (=naar de wc gaan)
  27. Munsterbilzen - Minsters: zen eege konne verdraoge (=met zichzelf overweg kunnen)
  28. Brakels: ij ee ne loo g'had (=hij is zichzelf tegengekomen)
  29. Wetters: hij rijdt mee dhandkerre (=hij bevredigt zichzelf)
  30. Sint-Niklaas: eigen bof stinkt (=opscheppen over zichzelf)
  31. Munsterbilzen - Minsters: zen eege n ploem énzen K...staeke (=zichzelf bewieroken)
  32. Volendams: iederien zaalt ze aige mast oeverboord (=ieder moet voor zichzelf zorgen)
  33. Volendams: dees is er ientje van de buregemaister (=Veel van zichzelf denken)
  34. Zichers: gaank nou treg... (=dat meen je niet...)
  35. Zichers: sjoech, tes kaat (=brrrr, 't is koud)
  36. Zichers: iech vrèk van de dwus (=ik heb erg dorst)
  37. Zichers: jeumes merria (=Oh mijn god !)
  38. Zichers: Bo gèèste jenne? (=Waar ga je heen?)
  39. Zichers: kwansijs (=doen alsof)
  40. Zichers: her vjet (=hij rijdt)
  41. Zichers: lotte gejadde (=laten geworden)
  42. Zichers: Haddig he (=Tot ziens)
  43. Westerkwartiers: elk zörgt veur zich, God veur ons allemoal (=elk zorgt voor zichzelf, God voor ons allen)
  44. Westerkwartiers: 't oog zigt altied van zich oaf (=men vindt zichzelf de beste)
  45. Munsterbilzen - Minsters: zich begoje (=zich bezuipen)
  46. Sint-Niklaas: zich versteken (=zich verbergen)
  47. Luyksgestels: éérd on z'n kniejes hemme (=een hoge dunk van zichzelf hebben)
  48. Westerkwartiers: hij zicht ze vlieg'n (=hij is van lotje getikt)
  49. Moes: e schuë zicht (=een mooi landschap)
  50. Westerkwartiers: hij schoot uut zien slof (=hij overtrof zichzelf)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen