Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` wind`

  1. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  2. de huik naar de wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
  3. de mantel naar de wind hangen (=steeds de opinie van de anderen volgen)
  4. de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
  5. de wind in de zeilen hebben (=voorspoed hebben)
  6. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  7. de wind van voren krijgen (=kritiek krijgen, direct gezegd worden wat er mis is)
  8. de wind waait uit die hoek (=een mening van iemand uit een bepaalde groep/partij)
  9. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  10. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  11. elke bos stro waait voor de wind (=onder makkelijke omstandigheden kan iedereen welvaren of iets uitvoeren)
  12. er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
  13. er geen doekjes om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
  14. Haagse wind (=bluf)
  15. het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  16. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  17. hoge bomen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
  18. iemand de wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
  19. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  20. iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
  21. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  22. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  23. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  24. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  25. om de vinger winden (=er gemakkelijk baas over worden)
  26. Pluimen in de wind waaien (=Iets doen zonder na te denken)
  27. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  28. voor de wind gaan (=voorspoed hebben)
  29. Voor de wind is het goed zeilen (=Onder gunstige omstandigheden is het gemakkelijker succes te hebben)
  30. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  31. wie wind zaait zal storm oogsten (=wie ruzie probeert te veroorzaken zal zelf ruzie krijgen)
  32. Zijn huik naar de wind hangen (=Zijn mening aanpassen naargelang de situatie)
  33. zo de wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
  34. zoals de wind waait, waait zijn jasje (=hij gaat met de heersende mening mee of telkens van mening veranderen afhankelijk van de mensen om iemand heen)

3 betekenissen bevatten ` wind`

  1. overstag raken (=de wind van voren krijgen)
  2. er een laten vliegen (=een wind laten)
  3. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)

Het dialectenwoordenboek kent 80 spreekwoorden met ` wind`

  1. Westlands: voor de wind hebbe (=windje mee hebben)
  2. Zeeuws: zeilschippers spraken over - oplopende - een koeltje, een zuchtje, een koutje, een veger wind en tot slot sturmswee. (=windkracht uit gedrukt in Beaufort was er niet)
  3. Munsterbilzen - Minsters: éne lotte vliege (='n windje laten)
  4. Munsterbilzen - Minsters: zen daus oëpe zètte (=een windje laten)
  5. Helenaveens: Liete gij d’r inne? (=Liet jij een windje?)
  6. Westerkwartiers: mien bips liet 'n boerke (=ik liet een windje)
  7. Zeeuws: ei zeker in je vinger e snee-en., wan kruuke bloed (=windje)
  8. Oudenbosch: daoretie nun dot sente aon overgouwe (=dat heeft hem geen windeieren op geleverd)
  9. Waaslands: een padde doodtrappen (=een windje laten)
  10. Flakkees: Plaatse windbulen (=Inwoner van Ooltgensplaat)
  11. Aalsters: een windjboil (=uit de nek kletsen)
  12. Weerts: d'r eine op zien zök laote kui-jere (=een windje laten)
  13. Ransts: he stopt is me aven achterklap (=tegen iemand die een windje laat)
  14. Munsterbilzen - Minsters: tlaeve hèt de zin van woste tron gifs (=de windrichting kan je niet veranderen, je kan wel de zijlen verzetten)
  15. Munsterbilzen - Minsters: ne klink en ne klank, ne stink en ne stank, n zievering van de derm en t mok de broek werm (=windje)
  16. Merenaars: die van boven de windj (=dorpen tussen mere en zottegem)
  17. Westerkwartiers: nou loat ik dij loop'n en nou bromst ook nog (=bij het laten van een windje :)
  18. Gents: konseer veur duuve, nen achterklap, die tiest geriekt, zijn olleke die piept (=een windje laten)
  19. Westerkwartiers: hij is hen en weer as de wiend (=hij waait met alle winden mee)
  20. Munsterbilzen - Minsters: nau lot ich tich los en de groemels nog (=ik liet een windje met wat veel lawaai)
  21. Flakkees: Hoage boamen vangen veul wind (=Hoge bomen vangen veel wind)
  22. Koersels: dunne wind (=koude wind op een zonnige dag)
  23. Walshoutems: Het jug hei fel (=Er staat veel wind)
  24. Sint-Niklaas: ene loate vliegen (=een wind laten)
  25. Westerkwartiers: liek teeg'n de wiend ien (=pal tegen de wind in)
  26. westlands: voordewind (=met de wind in de rug)
  27. Lichtervelds: zne broek scheurt (=hij laat een wind vliegen)
  28. Liwwadders: in 'e wien op (=tegen de wind in)
  29. Munsterbilzen - Minsters: wae wènd zaet, zal stürm oogste (=als je uien vindt in je eten, is de kans groot op hevige winden)
  30. Lichtervelds: tdundert in zne broek (=hij laat een wind)
  31. Hendrik-Ido-Ambachts: stevige bries (=harde wind)
  32. Ninoofs: de boeërne vrou es doeë (=de wind huilt)
  33. Elspeet: Teegn de wiend in sniesteren (=Tegen de wind in plassen)
  34. Lokers: Wie héét er ier in zijne vinger gesneen (=Als iemand een wind laat)
  35. Valkenswaards: De wèind van vurre krijgen (=De wind van voren krijgen)
  36. Liemers: Däöj meh gin wind nie waerd dah't begint (=Dooi zonder wind niet waard dat hij begint.)
  37. Gents: zuu rap oof de wind (=vliegensvlug)
  38. Munsterbilzen - Minsters: draeë waaj ne wèndhaon (=met de wind meedraaien (fig.))
  39. Evergems: een weekmeere mee 'n teste zop (=Een waterige wind (scheet) laten)
  40. Antwerps: der ei iëne in zaaine vinger gesneeje (=iemand heeeft een wind gelaten)
  41. Munsterbilzen - Minsters: van zenen traun valle (=hoge bomen vangen veel wind)
  42. Kortemarks: jet e schete gelaotn (=hij heeft een wind gelaten)
  43. Zeeuws: jestienkt zeven roen de wind in (=stinken)
  44. Oudenbosch: ijee nie slecht geboerd (=het is hem voor de wind gegaan)
  45. Genneps: Hij mos flink knéje tegen de wiend ien (=tegen de wind in fietsen)
  46. Brugs: mè de wiend in 't gat (=met de wind in de rug)
  47. Ninoofs: wie eet er ier ieënen afgetrokken (=Van waar komt de wind?)
  48. Bilzers: den aonhaager wént, de broekesjijter stink (=de aanhouder wint, de lafaard laat wind)
  49. Zeeuws: ei uut n dulf efrete n (=iemand heeft een stink wind gelaten)
  50. Munsterbilzen - Minsters: maok tich mèr geen dikke been (din èste maude) (=wind je maar niet op !)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen