Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


62 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` wel`

  1. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  2. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen altijd uit)
  3. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
  4. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  5. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  6. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  7. daar is wel wachten maar geen vasten naar (=dat zal niet gauw gebeuren)
  8. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  9. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  10. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  11. dat zit wel snor (=dat komt wel goed)
  12. De boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=Je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
  13. de man wel, maar het paard niet (=niet helemaal eerlijk zijn)
  14. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  15. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  16. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  17. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  18. een goed zeeman wordt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  19. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  20. een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken (=mensen veranderen zelden echt)
  21. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  22. er zijn maal wel mee kunnen doen (=er wel mee toekomen)
  23. ergens zijn pink wel voor willen geven (=iets heel graag willen hebben)
  24. het beste paard struikelt (ook) wel eens (=ook de beste maakt wel eens een fout)
  25. Het beste paard struikelt wel eens. (=Iedereen maakt wel eens een fout)
  26. het oog wil ook wel wat (=het uiterlijk van iets speelt ook een rol)
  27. het wel kunnen schudden (=het wel kunnen vergeten)
  28. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)
  29. hij kan zijn naadje wel naaien (=hij weet zijn geld wel te verdienen)
  30. hij zal het wel betalen als de paus geus wordt (=hij zal het nooit betalen)
  31. Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
  32. iemand wel achter het behang kunnen plakken (=iemand heel vervelend vinden, waardoor je het liefst even helemaal niets meer met hem of haar te maken zou willen hebben)
  33. iemand wel kunnen schieten (=zich bijzonder ergeren aan iemand)
  34. iemand wel kunnen villen (=erg kwaad zijn op iemand / Een erge hekel hebben aan iemand)
  35. iemands bloed wel kunnen drinken (=iemand niet mogen en daardoor alles doen om die persoon te hinderen)
  36. ik kijk wel uit (=dat doe ik niet, daar ben ik te voorzichtig voor)
  37. Je kunt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  38. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet altijd precies wat je zou willen)
  39. Je mag wel alles eten, maar niet alles weten. (=Ik hoef je niet alles te vertellen.)
  40. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  41. Men kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=Je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  42. men kan wel dansen al is het niet met de bruid (=men kan ook wel tevreden zijn met iets minder dan het beste)
  43. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  44. men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
  45. niet wel bij het hoofd (=gek)
  46. Ook het beste paard struikelt wel eens. (=Ook de deugdzaamste en bekwaamste faalt wel eens)
  47. op ieder potje past wel een dekseltje (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner)
  48. Parijs is wel een mis waard (=om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten)
  49. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)
  50. Spreeuwen willen wel kersen eten, maar geen bomen planten. (=Wel van alles willen profiteren, maar er niets voor willen doen.)

120 betekenissen bevatten ` wel`

  1. zo welkom als een hond in de keuken (=absoluut niet welkom)
  2. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  3. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  4. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  5. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  6. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden)
  7. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  8. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  9. Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=Bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  10. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  11. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  12. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  13. na mij de zondvloed (=dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren)
  14. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  15. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
  16. dat zit wel snor (=dat komt wel goed)
  17. driemaal is scheepsrecht (=de derde keer zal je wel gaan lukken)
  18. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  19. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  20. lector benevolente (=de welwillende lezer)
  21. dat zaakje zal wel doodbloeden (=die kwestie zal geleidelijk aan wel worden vergeten)
  22. rijd voort voerman maar zie om (=doe verder maar blijf wel opletten)
  23. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  24. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  25. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  26. het varkentje wassen (=een klusje wel even doen)
  27. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  28. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  29. de vleespotten van Egypte (=een vroegere tijd van grote welvaart)
  30. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  31. een man in bonis (=een welgesteld man)
  32. er is altijd wel ergens een vogel die zingt (=er is altijd wel een lichtpuntje als je maar goed je oren en ogen open zet)
  33. een baas boven baas zijn (=er is altijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunnen)
  34. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  35. ieder huisje heeft zijn kruisje (=er mankeert overal wel iets)
  36. gezien worden als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  37. elke gek heeft zijn gebrek (=er valt op iedereen wel iets aan te merken)
  38. ergens oren naar hebben (=er wel iets in zien)
  39. er zijn maal wel mee kunnen doen (=er wel mee toekomen)
  40. mogen lijden (=er wel tegen kunnen - iemand wel kunnen verdragen)
  41. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  42. eén gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden (=er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet)
  43. voor elk wat wils (=er zit voor iedereen wel wat bij)
  44. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  45. schitteren door afwezigheid (=ergens niet aanwezig zijn, terwijl je komst wel verwacht werd)
  46. achter de schermen blijven (=geen bekendheid ergens mee willen krijgen terwijl diegene het wel bedacht heeft)
  47. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  48. het kan er mee door (=het gaat wel, het is aanvaardbaar)
  49. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  50. het leven is geen zoete krentenbol (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)

Het dialectenwoordenboek kent 565 spreekwoorden met ` wel`

  1. Veurns: te faite (=Weldra)
  2. Gents: de breudses liggen veur 't veinster (=een welgevormde boezem)
  3. Lichtervelds: jis zoî vies lik ne kattestroent (=hij is net welgezind)
  4. Oudenbosch: ijee mee smaok zitte nete (=hij liet zich de maaltijd welgevallen)
  5. Oudenbosch: aon jou is gin eer te b'aole (=aan jou is geen moeite welbesteed)
  6. kortemarks: ze gat schuufelde (=hij is welgezind vertrokken)
  7. Bilzers: ne gas hÛbste plezier on, esset nie bijt koëme dan toch bijt gon (=welgekomen, wanneer vertrek je ?)
  8. Oudenbosch: daddaarde gij ok nie gekund (=welbeschouwd lag dit ook niet binnen je bereik)
  9. Aalters: Dat ulder welbestreube (=Laat het jullie smaken)
  10. Sevenums: din zal de koekoek nit mieer hure (=werd weleens gezegd van iemand die erg ziek was)
  11. Zurriks: De slimste boer peest wellus op zien blök (=Ook de beste kan zich weleens vergissen)
  12. Diems: Hej weleens een aldernaas posje smeer gehad (=Wilt u stoppen met uw storende gedrag)
  13. Slands: pel pel (=wel wel)
  14. Giessendams: wafferemôme (=Welke moeten we nemen)
  15. Ostêns: waffur rauwe kloten zien da! (=welke zevers zijn dat)
  16. Weldens: zoals mijn grootmoeder altijd zegde\r\nhet konijnenkot is wepel!\r\n\r\nDidier (='t konenekot is wepel)
  17. Tilburgs: hèdde un höske nòr oewe zin, kröpt er gaaw un aander in. (=als je je schaapjes op het droge hebt, is je leven bijna om, ga je weldra dood.)
  18. Liemers: As gistere marge was dan nog blief vandaag vandaag. (=Welke dag is het vandaag ?)
  19. Sinnekloases en niekaarks: amaj mijn voeten (=wel, wel, dat is straf)
  20. Bornems: tzal wel gon e zal wel ston (=t zal wel gaan hij zal wel staan)
  21. Oudenbosch: ut is wad - aanders (=het is nogal wat / wel wel)
  22. Deinzes: toettoet (=toch wel)
  23. Munsterbilzen - Minsters: watvër toere zin dat ! (=welke streken haal je nu toch maar uit !)
  24. Westerkwartiers: luusterst wel ? (=luisteren - luister jij wel ?)
  25. venrays: Kiek wel (=We zullen wel zien)
  26. Liwwadders: weest wel (=weet je wel)
  27. Lichtervelds: ze goat er wel deureschartn (=ze zal wel genezen)
  28. Bilzers: Ao nie dan? (=Toch wel!)
  29. Eekloos: beitendoete, toetoet (=toch wel)
  30. Liwwadders: suust wel wille ..., suden jou wel wille... (=dat zou je wel willen ...)
  31. brabants: de kumt nog wel (=dat komt nog wel)
  32. Spakenburgs: Hebbie wel draad (=Heb je wel verstand)
  33. Veessers: k'rieg oe wel (=ik krijg je wel)
  34. Westerkwartiers: ik maag dij wel lied'n (=ik mag jou wel)
  35. Amsterdams: Dat zit wel snor (=Dat zit wel goed)
  36. Westerkwartiers: doar zit wel meziek ien (=daar zit wel handel in)
  37. Westerkwartiers: heur'st mij wel ? (=hoor je mij wel ?)
  38. Overmeers: Ten doet (=Toch wel)
  39. Hansbeeks: Toet toet (=Toch wel)
  40. Eekloos: ostwades (=het gaat wel)
  41. Westerkwartiers: 'k heb 't wel bekeek'n (=bekijken - ik heb het wel bekeken)
  42. Ossies: zèdde gè wel goewed? (=ben je wel helemaal lekker?)
  43. Westerkwartiers: gunst mij dat wel ? (=gunnen - gun je mij dat wel ?)
  44. Westerkwartiers: doar maag 'k wel over (=dat vind ik wel prettig)
  45. Oudenbosch: da zulde wel gewaor worre (=dat zul je wel merken)
  46. Westerkwartiers: doar ken 'er wel noar fluit'n (=dat kan hij wel vergeten !!)
  47. Westerkwartiers: ik krieg dij wel klein !! (=ik krijg jou wel in het gareel !!)
  48. Gronings: kinst doe t wel verstoan (=kun je het wel verstaan)
  49. Westerkwartiers: wils't wel loov'm dat . . (=wil je wel geloven dat . .)
  50. Snekers: Hij ken wel wat lije (=Hij kan wel wat hebben)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen