Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


55 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` vis`

  1. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  2. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  3. achter het net vissen (=pech hebben, net een gelegenheid missen)
  4. Achter het net vissen (=Een kans missen)
  5. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  6. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  7. als een vis op het droge (=iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort)
  8. beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=Oost West thuis best)
  9. bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
  10. boter bij de vis (=betaling bij de levering)
  11. de boer eet vis als het spek op is (=Je moet tevreden zijn met wat je hebt)
  12. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  13. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel zien waar hij vandaan komt)
  14. de vis begint te stinken bij de kop (=het loopt het eerst mis bij de leiding)
  15. de vis is de boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)
  16. de vis wordt duur betaald (=het vergt veel opoffering ( je moet er wat voor over hebben) om te krijgen wat je wilt)
  17. die is vis (=die is dronken)
  18. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
  19. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  20. een spiering is vis als er anders niet is (=als je honger hebt, ben je niet kieskeurig / bij gebrek aan beter)
  21. een visje uitgooien (=proberen of ergens belangstelling voor bestaat)
  22. een visje verschalken (=een kleinigheid meepikken)
  23. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feministische uitspraak)
  24. Eet vis, als er vis is. (=Een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  25. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  26. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  27. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  28. het is vlees noch vis (=het is niet bruikbaar, omdat het niet duidelijk is)
  29. hij gaat de visjes voeren (=hij is zeeziek en moet overgeven)
  30. hij heeft het gelijk van de vismarkt (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
  31. hij kan zwemmen als een vis (=iemand die zeer goed kan zwemmen)
  32. hij praat visserslatijn (=hij blaast zijn prestaties op)
  33. hij snakt ernaar als een vis naar water (=ergens hevig naar verlangen)
  34. Hij vangt vissen met zijn handen (=Hij profiteert van andermans werk)
  35. hij vist in troebel water (=hij is een profiteur)
  36. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  37. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  38. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  39. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  40. in zulk water vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  41. in zulke vijvers vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  42. leven als een vis in het water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  43. met een gouden hengel vissen (=door bedrog zijn doel halen)
  44. met hem kun je gaan vissen (=een prettig persoon in de omgang)
  45. mossel noch vis (=noch het een noch het ander - goed noch slecht)
  46. naar iets vissen (=iets trachten te achterhalen)
  47. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  48. voor een vissers deur vissen (=vergeefse moeite doen)
  49. vuile boter, vuile vis (=Zonder goed gereedschap bereik je geen goede resultaten)
  50. waar geen vis is, is haring ook vis (=je moet voor alles moeite doen)

7 betekenissen bevatten ` vis`

  1. visnamig (=daar is het goed vissen, er zit daar veel vis)
  2. hij heeft met een zilveren (of gouden) hengel gevist (=die heeft vis gekocht in plaats van gevangen. Ook: met bedrog zijn doel bereiken)
  3. bij de vleet (=er is meer dan voldoende van (vleet was vroeger een groot visnet))
  4. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  5. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  6. op een droogje zitten (=op visite zijn en niks te eten of drinken krijgen)
  7. vis laat de mens zoals hij is (=van vis eten wordt je niet dik)

Het dialectenwoordenboek kent 26 spreekwoorden met ` vis`

  1. Bilzers: de pik hübbe op iemed (=iemand viseren)
  2. Zuuns: luppe skarregos es doe (van café de Dikke Linde) (=daar komt de vishandelaar)
  3. Ostêns: kloate van vis (=kloten van vis)
  4. Helmonds: nollekke de visboer, hai hi ut grötste krois in zun box (=wie is de heiligste man in helmond)
  5. Helenaveens: Vongde gij veul? (=Heb je veel vis gevangen?)
  6. Antwerps: Ne smoel vur vis oep te snaaie (=Een smoel om vis op te snijden)
  7. Mechels (BE): bouter ba de vis (=betalen bij de koop)
  8. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=kerremis)
  9. Gents: iene veur vurte vis uitmoake (=iemand uitschelden)
  10. Lokers: nog mossel of vis (=niet weten wat het is)
  11. Zeeuws: nieuwe petaten en zoute vis eten de boeren at kerremis is (=nieuwe aardappels)
  12. Gents: 't es boter bij de vis (=kontante betaling)
  13. Kinrooi: Allein oppen druuëge veultj 'ne vès natigheid! (=Alleen op het droge voelt een vis nattigheid!)
  14. Waregems: iemand oytmokn veur vorte vis/iemand zijn zoaligheid zegg'n (=iemand beschimpen)
  15. Sint-Niklaas: dur moet boter bè de vis zin (=er moet betaald worden)
  16. Huizers: Ansjovis is vis as der neit aarst is (=Honger maakt rauwe bonen zoet)
  17. Zeeuws: tis mossel of vis (=het is het een noch het ander)
  18. Zeeuws: bin je klootn a nat aje nog gin vis (=zoveel moeite voor niets)
  19. Kortrijks: 't Is fris an de vis en koel an de spoel (=Het is fris vandaag)
  20. Waregems: 't e koele, 't e(s) fris an de vis (=het is frisjes buiten)
  21. Munsterbilzen - Minsters: aste loemp bés zulste al és aater het nèt vange (=als je zo lomp bent als vis, kan je al eens bot vangen)
  22. Westerkwartiers: vis wil swemm'n (=na het eten van een visje een drankje nemen)
  23. Ransts: bet de vis nogal? (=iemand die in zijn neus aan t' peuteren is)
  24. Koersels: Lomp is ooch vis mer de kop deugt nie (=Wil wel maar kan het niet door domheid)
  25. Venloos: Bezeuk en vis bliève gen dreej daag fris (=Gasten die langer dan een nacht blijven logeren, leiden tot irritatie)
  26. Drents: Ie kunt zölfs een vis zolang targen dat e tot 't water oetkomp. (=Ieder mens heeft een grens (aan zijn/haar verdraagzaamheid))



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen