Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


15 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` van a`

  1. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  2. de draad van ariadne (=middel om klaarheid te scheppen in een ingewikkeld iets)
  3. de kantjes er van aflopen (=zijn best niet doen)
  4. de weg van alle vlees gaan (=sterven)
  5. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  6. er is niets van aan (=het is niet waar)
  7. ergens geen tittel of jota van afweten (=ergens geen verstand van hebben, ergens helemaal geen kennis van hebben)
  8. gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  9. goed van aannemen (=verstandig)
  10. hij weet van voren niet dat hij van achteren leeft (=hij is erg dom)
  11. liever van achteren zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
  12. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  13. van voren niet weten of men van achteren leeft (=erg dom zijn / erg ziek zijn)
  14. wat van apen komt wil luizen (wat van katten komt wil muizen) (=zijn afkomst kan men niet verloochenen)
  15. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)

39 betekenissen bevatten ` van a`

  1. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  2. dat zal mij een zorg wezen (=daar trek ik me niets van aan)
  3. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  4. er is meer gelijk dan eigen gelijk (=de mening van anderen telt ook)
  5. er is meer dan een koe die blaar/bles heet (=de mening van anderen telt ook)
  6. een proefballonnetje oplaten (=Door het doen van een uitspraak de mening van anderen peilen)
  7. heet gebakerd (=driftig van aard)
  8. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en schamen))
  9. de vijl erover laten gaan (=er de scherpe kantjes van afhalen)
  10. er verdrinken er meer in het glas dan in de zee (=er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol)
  11. de beer is los (=er gebeurt opeens van alles; er ontstaat ruzie of paniek)
  12. er geen laars van weten (=er niets van afweten)
  13. met de sok op de kop gezet (=er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen)
  14. geen boodschap aan iets hebben (=er zich niets van aantrekken)
  15. de schouders ophalen (=er zich niets van aantrekken - er niets over willen weten)
  16. van zessen klaar (=erg handig zijn en van aanpakken weten)
  17. iets langs je (koude) kleren af laten glijden (=ergens niets van aan trekken)
  18. zich op glad ijs wagen/begeven (=ergens over gaan praten waar die weinig van af weet)
  19. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  20. die dan leeft die dan zorgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
  21. mooi weer spelen (=genieten (meestal van andermans goed) / mooier voordoen dan het is)
  22. lest best (=het beste van alles komt op het einde)
  23. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  24. Hij vangt vissen met zijn handen (=Hij profiteert van andermans werk)
  25. Men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=Ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  26. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  27. je mening niet onder stoelen of banken steken (=je mening niet verbergen, openlijk voor je standpunten uit durven komen, bij voorbeeld van afkeuring van iets)
  28. zonder blikken of blozen (=onbeschaamd, zonder zich iets van anderen aan te trekken)
  29. ellebogenwerk (=succes boeken door op slinkse wijze van anderen misbruik te maken)
  30. van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)
  31. laten waaien (=verwaarlozen, zich er niets van aantrekken)
  32. Spreeuwen willen wel kersen eten, maar geen bomen planten. (=Wel van alles willen profiteren, maar er niets voor willen doen.)
  33. wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben)
  34. ergens heet noch koud van worden (=zich nergens iets van aantrekken)
  35. iets over z'n kant laten gaan (=zich nergens iets van aantrekken)
  36. maling aan iets of iemand hebben (=zich nergens iets van aantrekken)
  37. god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
  38. ijskoud zijn gang gaan (=zich nergens van aantrekken)
  39. zijn ellebogen gebruiken (=zich ten koste van anderen opwerken)

Het dialectenwoordenboek kent 2990 spreekwoorden met ` van a`

  1. Bilzers: vanal, das hinnestront ! (=vanalles kan gelijk wat zijn)
  2. tervurens: tes vanda of tes vandatte (=het is gebeurd)
  3. Maldegems: schenteventen (=vandalenstreken uihalen)
  4. Westerkwartiers: 't is mooi west veur vandoag (='t is genoeg voor vandaag)
  5. Oudenbosch: tis vandaog gewoon werkedag (=we zijn vandaag niet vrij)
  6. Antwerps: vanaaiges (=dat is zeker)
  7. brabants: Gôôl, daor komt gin goei gèèt vandaon! (=Goirle, daar komt niets goeds vandaan)
  8. Erps: vanannen sus goan (=in zwijm vallen)
  9. Arendonks: ew botteh afdrooieh (=moe van't werken)
  10. Munsterbilzen - Minsters: spauke zien (=vanalles zien dat er niet is)
  11. Oudenbosch: kzijn niks weert vandaog (=ik voel me niet goed vandaag)
  12. Gronings: tis ja veul te hait, tis nait kold vandoag (=Het is erg warm vandaag.)
  13. Geels: Was er oep tellevies vandoag? (=Wat is er op de televisie vandaag?)
  14. Budels: blieft er nou us mé oe fikkes vanaaf (=blijf er nou eens vanaf!)
  15. Zeeuws: lukt 'et vandaege nie, dan lukt'et merrege (=wat vandaag niet lukt, lukt morgen)
  16. Munsterbilzen - Minsters: hae zoeg spauke (=de beeldhouwerd beeldde zich vanalles in)
  17. Zeeuws: di is hlad niks vanan (=niet waar)
  18. Millers: jeüvër vanallës en nog get (=over koetjes en kalfjes)
  19. Bilzers: vrolaaj haate van simpel zaoke, bevürbeeld van manne (=van vrouwegedachten en winternachten kan je vanalles verwachten)
  20. Westerkwartiers: komm'n we d'r vandoag niet dan komm'n we d'r mörg'n wel (=we hebben vandaag geen haast)
  21. Bilzers: vande priëkstoel toomele (=aankondiging van het kerkelijk huwelijk)
  22. Vilvoords: tes waal vanda (=het is altijd hetzelfde)
  23. Achterhoeks: Nem een möpke (koekje) bi-j de koffie. (=Neem het er van. Maak er het beste van.Kan ook ironisch bedoeld zijn.)
  24. Veussels: Helemaal van't padje! (=Onder invloed van alcohol zijn.)
  25. Nijlens: da is vanaages (=dat is vanzelf sprekend)
  26. Sint-Niklaas: zuttij nog waal kommen vandoag? (=zou hij nog wel komen vandaag?)
  27. Munsterbilzen - Minsters: èsset nog vür vandaog (=komt er nog wat van ,)
  28. Westerkwartiers: ik goa d'r vandeur (=ik ga er vandoor)
  29. Antwerps: kfal oemvaar vanden oenger (=I heb honger)
  30. Munsterbilzen - Minsters: vanal aut zen botte slon (=onzin uitkramen)
  31. Klemskerks: saluu en de kost en die wiend vanachter: zegwijze die men iemand naroept die kwaad vertrekt na een ruzie (=Saluut en de kost en de wind vanachter)
  32. Lichtervelds: tis ier duuvels vandiesje (=het is hier een puinhoop)
  33. Bilzers: goed taus ende wénd vanaater (=goed thuisreis)
  34. Oudenbosch: ijistur mee vandeur (=hij is er mee vandoor gegaan)
  35. Oudenbosch: ijee vanacht ligge woelwaotere (=hij heeft een onrustige nacht gehad)
  36. Izegems: 't is ier gelik vandiesie (=het staat hier allemaal vol)
  37. Munsterbilzen - Minsters: daaj ès wol hoël vanbènne (=zij heeft nooit genoeg gegeten)
  38. Liedekerks: E eit do tiejen en tander geskoept (=Hij heeft daar vanalles wat gestolen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: da wor geen moejlëke bevalling (=de vroedvrouw kraamt er vanalles uit)
  40. Munsterbilzen - Minsters: hae sjaart alles mèt wo nie te heet ofte zwaur ès (=hij pikt vanalles)
  41. Bilzers: Doeë lekste daum en vingers vanaof (=dat is lekker)
  42. Susters: Dao is de fleur vanaaf (=Dit is niet mooi meer)
  43. Munsterbilzen - Minsters: doë vilt men broek vanaof (=ik sta perplex)
  44. Overpelts: doa zakt men boks vanaaf (=Nu breekt mijn klomp!)
  45. Munsterbilzen - Minsters: doeë vilt men broek vanaof (=daar verschiet ik danig van)
  46. Bilzers: dich laefs ziëker vande hiemelse doj (=jij leeft zeker van lucht)
  47. Bilzers: doë vûlt men broek vanaof (=daar verschiet ik serieus van)
  48. Oudenbosch: das ne vandege jonge geworre (=dat is een flinke jongen geworden)
  49. Moes: va veuren open en vanachter nie toe (=zwoel kleedje)
  50. Zottegems: tes vandiese van de lege portemonnees (=Na de kermis hebben de mensen geen geld meer.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen