Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Eén spreekwoord bevat ` tegel`

  1. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)

4 betekenissen bevatten ` tegel`

  1. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  2. tussen hoop en vrees dobberen (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkertijd vrezen dat het mis gaat)
  3. tussen hoop en vrees zweven (=hopen dat het goed gaat, maar tegelijkertijd vrezen dat het mis gaat)
  4. niemand kan twee heren dienen (=twee dingen tegelijk doen gaat niet)

Het dialectenwoordenboek kent 59 spreekwoorden met ` tegel`

  1. Twents: Iej könt ginn pap ett'n en poes'n tegelieke (=Je kunt geen twee dingen tegelijk doen)
  2. Westerkwartiers: zij ken proat'n en brei'n tegeliek (=zij kan twee dingen tegelijk doen)
  3. Giethoorns: Op iene stuit (=Alles tegelijk)
  4. Utrechts: De hele santemukraon (=Alles tegelijk)
  5. Bilzers: green laache (=lachen en wenen tegelijkertijd)
  6. Rotterdams: Zeike en scheite (=Twee dingen tegelijk doen)
  7. Tegels: op zich tegels (=op zijn tegels)
  8. Westerkwartiers: die lopt niet ien zeuv'm sloot'n tegeliek (=die redt zichzelf wel)
  9. Gronings: Ik kin nait heksen! (=Ik kan niet alles tegelijk!)
  10. Sallands: Doe mar kalm an, wi-j hebt tegelieke oldejoarsdag (=Doe maar rustig aan, we hebben gelijktijdig oudejaarsdag)
  11. Lembeeks: kermis in delle (=regen en zon tegelijkertijd)
  12. Tegels: Godsammezegene (=Verdomme)
  13. Westerkwartiers: ik ken niet heksen en blauwvaarm (=ik kan maar een ding tegelijk hoor)
  14. Waregems: 't doet dr'omme, 't moe dr'omme doen (=twee fenomenen doen zich quasi tegelijk voor)
  15. Zunderts: praotte en braaije tegelijk (=niet rusten)
  16. Beerses: Sjawelen en braaien go nie saomen (=Je kan geen twee dingen tegelijkertijd doen)
  17. kortemarks: ge ku gieèn peîrd te loîpe besloan (=je kunt niet alles tegelijk doen)
  18. Oudenbosch: ut giengur mee duvel en geweld aon toe (=veel lawaai en herrie tegelijk)
  19. Oudenbosch: ze kwame allemaol d n eene mit d n aandere binne (=ze kwamen allen tegelijk binnen)
  20. Westerkwartiers: 't is of de duvel d'r met speult (=alle ongelukken komen tegelijk)
  21. Munsterbilzen - Minsters: van hoejt noë hèr loope (=alles tegelijk willen doen)
  22. Tegels: kaaje heng (=koude handen)
  23. Tegels: as is verbrande turfe (=As is verbrande turf)
  24. Westerkwartiers: hij zicht deur de boom'n het bos niet meer (=er komt teveel tegelijk op hem af)
  25. Westfries: ik ken niet hèkse! (=ik kan nou eenmaal niet 2 dingen tegelijk.)
  26. Munsterbilzen - Minsters: ich kan nie hêkse (=je kan maar één ding tegelijk doen)
  27. Lichtervelds: ge kunt gièèn pêird te loîpe besloan (=je kunt geen twee werken tegelijk doen)
  28. Bilzers: ich hüb ook mér twei haendjes (=ik kan niet alles tegelijk doen)
  29. Tegels: Doa is de kér opgekiep (=Een miskraam)
  30. Tegels: kaai heng (=koude handen)
  31. Tegels: leave [=leven] maken (=lawaai maken)
  32. Tegels: Det is unne geklaadsde (=Die is niet wijs)
  33. Tegels: mich versleit d'n oam (=Ik ben sprakeloos)
  34. Tegels: mei en den (=nu en dan)
  35. Tegels: haese nag wöard! (=daar sta ik van te kijken!)
  36. Tegels: Dae is door de ratte besjnuffelt (=Die is niet goed bij zijn hoofd)
  37. Brugs: jo-t-in twi grachten tuggeliek loowpen (=hij zal niet rap verongelukken : hij zal niet in twee grachten tegelijk lopen)
  38. Bilzers: attet garnezoen jing op haus aofkump esset nen heile opstand (=het is een hele bedoening als alle kinderen tegelijk naar huis komen)
  39. Tegels: Wie eine Prins in un petattekoel. (=Als koning in Frankrijk)
  40. Tegels: Dae is neet gans richtig (=Hij is niet goed wijs)
  41. Tegels: de kloeëte ligge te sjoere (=helemaal niets uitvoeren)
  42. Tegels: lek mich de zök (=je kunt de pot op)
  43. Tegels: Dae rauk wie de sjouw van Tieglia (=Iemand die veel rookt)
  44. Tegels: Ein nutte bieës (=Een vreselijke vrouw)
  45. Tegels: 'nen ongeliekden baer (=een ongelikte beer)
  46. Tegels: Ut begint um drònger te laupe (=Hij wordt vergeetachtig)
  47. Tegels: as dae wys is zien alle gekke wys (=volkomen geschift!)
  48. Tegels: Daomet kense op dien vot nao Kaevelaer rieje (=Over een bot mes)
  49. Tegels: Zjwieg, dur zitte doéve op ut daak (=Stil, er luisteren kinderen mee)
  50. Twents: He wil poezen, mer 't mel in de moond holn. (=Hij wil blazen, maar het meel in de mond houden (dus twee dingen tegelijk doen, wat niet kan).)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen