Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` sterven`

  1. de muizen sterven er voor de kast (=het is er armoe troef)
  2. duizend doden sterven (=enorme angsten uitstaan)
  3. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)

12 betekenissen bevatten ` sterven`

  1. het niet meer kunnen navertellen (=er aan sterven)
  2. een vaantje strijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
  3. met het leven afgerekend hebben (=gaan sterven)
  4. memento mori (=gedenk dat je zal sterven)
  5. ter ziele zijn / ter ziele gaan (=gestorven zijn of sterven, ook figuurlijk: iets dat niet meer bestaat of actief is)
  6. beter blo(de) Jan dan do(de) Jan (=het is beter zich laf blood te gedragen, dan te sterven, dood te zijn)
  7. de dood kent geen lieve kinderen (=ieder moet sterven)
  8. Die haalt de nieuwe aardappelen niet (=Iemand die gauw zal gaan sterven)
  9. uitgaan als een nachtkaars (=langzaam doven, sterven)
  10. heden ik morgen gij (=oud grafschrift: gedenk, lezer, dat jij ook zal sterven)
  11. Het eten niet meer op kunnen. (=Spoedig moeten sterven.)
  12. het hachje erbij inschieten (=zelf sterven aan de gevolgen van een actie)

Het dialectenwoordenboek kent 24 spreekwoorden met ` sterven`

  1. Sint-Niklaas: gereutel (=keelgeluid van stervende)
  2. Heerlens: dea ruukt noa de sjup (=een stervend iemand)
  3. Munsterbilzen - Minsters: bediene (=sacrament der stervenden toedienen)
  4. West-Vlaams: ze sjieke uutspugen (=sterven)
  5. Munsterbilzen - Minsters: on zen in koëme (=sterven)
  6. Mechels (BE): zenne keis laate (=sterven)
  7. Veurns: ze sjieke uutspugen (=Sterven)
  8. Sittards: Hae ruuk nao de sjöp (=sterven)
  9. Leefdaals: ervan optrekke (=aan een ziekte sterven)
  10. Lokers: Zijne schoen zèten, op struuët liggen (=Sterven)
  11. Leefdaals: op ne siebot steurve (=plots sterven)
  12. Munsterbilzen - Minsters: krepiëre (=sterven als een hond)
  13. Veurns: Ze sjiek' uutspuug'n (=Sterven)
  14. Waarschoots: Zijn' schrepere zettn (=Sterven)
  15. Ronsisch: Zien leipoos loeten (=Sterven)
  16. Munsterbilzen - Minsters: zen bobin ès aof (=hij gaat sterven)
  17. Bilzers: op zen léste sjoen lope (=Op sterven na dood)
  18. Bilzers: hèe es op sterve nouë daut (=hij is gaat sterven)
  19. Lichtervelds: je lopt up ze latste bièèn'n (=hij is aan het sterven)
  20. Hulsters (NL): aij is van allendah (=hij kan ieder moment sterven)
  21. Sallands: makstarm ast niewoar is (=ik mag sterven als het niet waar is)
  22. Giesbaargs: a ligt op steirven, a ligt op staarven (=op sterven na dood)
  23. Twents: D'r goat d'r meer dood an 'n draank as van 'n döst (=Er sterven meer mensen aan de drank dan van de dorst)
  24. Sint-Niklaas: 't doo(ds)kerrukkun over zijne rug voele rijn (=zeer bevreesd zjn om te sterven, zwaar ziek zijn)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen