Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` soep`

  1. de soep wordt nooit zo heet gegeten, als zij wordt opgediend (=er worden meestal minder zware maatregelen toegepast dan was aangekondigd)
  2. in de soep lopen (=volledig mislukken (van een plan))
  3. Tussen de soep en de aardappels (=Terloops)

Eén betekenis bevat ` soep`

  1. strenge heren regeren niet lang (=wanneer een baas niet een beetje soepel is wordt het voor hem erg moeilijk)

Het dialectenwoordenboek kent 31 spreekwoorden met ` soep`

  1. Gronings: blijhamster soepmbrijpenzen (=blijham)
  2. Antwerps: dien ée oere gelak soeptelloere (=luistervink)
  3. Antwerps: ni veel soeps (=niets bijzonders)
  4. Liwwadders: se mutte jou ienblikke! (=wat ben jij een ongelofelijke soeplul!)
  5. Zeeuws: sop (=soep)
  6. Liedekerks: pareiësoep met bolli (=preisoep met soepvlees)
  7. Sint-Niklaas: die soep is wiep (=die soep is dun)
  8. Sint-Niklaas: de soep binnesjoefelen (=haastig soep eten)
  9. Zeeuws: ie praat van soep me ei hlad hin lepel (=soep eten)
  10. Astens: 't is nie veul soeps (=weinig inhoud)
  11. Waregems: die bolt goed (=deze loopt soepel (fiets,kar,kruiwagen))
  12. Tilburgs: kèkt öt oew soepers, gòlliepaop (=kijk uit je doppen, sufferd)
  13. herenthouts: zop zuijen (=soep koken)
  14. Sint-Niklaas: lutst ies in de soep (=roer eens in de soep)
  15. Sittards: ein haor in de sóp (=een haar in de soep)
  16. Sint-Niklaas: der is nog ne klets soep over (=er schiet nog wat soep over)
  17. Tilburgs: kèkt tòch öt oe soepôoge ! (=kijk toch uit je doppen !)
  18. Oudenbosch: kekt uit oew soepoge (=let toch eens beter op)
  19. Bilzers: doë verbranste zen ziel aon (=de koffie (soep) is nog te heet)
  20. Gents: kus mijn uure, luup noar de fuure, ge keun mijne zak opbloaze: 't soepapken hangt er an (=bekijk het maar, doe het zelf)
  21. Gents: veur em schept God den dag en moed'r schept de soepe (=iemand die simpel is van geest)
  22. tervurens: petrol in de soep (=een haar in de boter)
  23. Venloos: knöppelkes-soep kriegen (=pak voor de billen krijgen)
  24. Tilburgs: Daor kunde goeie soep van trekke (=Een dikke baby)
  25. Helenaveens: Maggi d’r in? (=Wil je pikante saus van Maggi in je soep?)
  26. Sint-Niklaas: éed ô moeder ô nie leren bloazen tèn (=als iemand de soep even laat staan omdat ze te heet is....zegt men)
  27. Tilburgs: veul wès veul twee haoren op oewe kòp is wèèneg, mar twee haoren in oew soep is veul. (=alles is relatief !)
  28. Zeeuws: ie praat van soep me ei hin lepel (=hij weet het niet goed)
  29. Zeeuws: ie praat van soep me ei hin lepel (=weet wel iets maar niet precies)
  30. Heusdens: gudder ne de mert,chmoet nog grune koel en e bitske poor hemme veur men sop (=ga je naar de markt,ik moet nog groene kool hebben en een beetje prei voor mijn soep)
  31. tervurens: in een aa kassuul mokte de beste soep (soms voegt men daaraan toe) 'mo t moot gebuire mei e joenk wuitelke ! (=vrijen met een oudere vrouw is top)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen