Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` schoenen`

  1. de moed in de schoenen doen zinken (=wanhopig worden en de moed verliezen)
  2. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  3. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  4. ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=ergens verschrikkelijk tegen opzien)
  5. het hart in de schoenen zinken (=alle moed en hoop verliezen om problemen op te lossen)
  6. het hart zinkt hem in de schoenen (=hij verliest alle moed)
  7. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  8. in de schoenen schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
  9. in iemands schoenen staan (=het lot van iemand anders ondergaan)
  10. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  11. men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft (=je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is)
  12. met lood in de schoenen (=met heel veel tegenzin of angst )
  13. naast zijn schoenen lopen (=te veel eigendunk hebben)
  14. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  15. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  16. oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
  17. over de hoge schoenen lopen (=te ver gaan of niet realistisch zijn)
  18. recht in zijn schoenen lopen/staan (=eerlijk zijn, niets misdaan hebben)
  19. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  20. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)

Het dialectenwoordenboek kent 35 spreekwoorden met ` schoenen`

  1. Venloos: kwante hippe [= bargoens] (=mooie schoenen)
  2. Helders: Een nat zeikie. (=Water in je schoenen.)
  3. Mestreechs: mien sjeun zien op de rijpe (=mijn schoenen zijn kapot)
  4. Oudenbosch: oeke schoene edde gij (=wat voor schoenen heb jij)
  5. Aalsters: Pastapora (=Past dat paar (schoenen) U?)
  6. Leuvens: pasdapôraado (=Pas dat paar oude schoenen daar)
  7. West-vlaams: J' es moa g'acht lik 't oor an zin skoen (=Hij wordt volledig miskend. (hij is maar geacht als de modder aan zijn schoenen))
  8. Sint-Niklaas: eur schoenen (=haar schoenen...)
  9. Sint-Niklaas: ès weer ont sletsen (=hij is weer met zijn schoenen (pantoffels) aan het slepen)
  10. Hulsters (NL): oew schoenen vastmaken (=je veters strikken)
  11. Mechels (BE): schoen schoone (=mooie schoenen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: wae zich op ijs begif, kan autsjampe (=wie altijd op zijn tenen moet lopen, staat niet stevig in zijn schoenen)
  13. Rotterdams: lust er wel schoenen met lak neuzen van (=iets lekker vinden)
  14. Sint-Niklaas: die schoenen slokken (=met te grote schoenen gaan)
  15. Eindhovens: Hedde nei hoef? (=Heb je nieuwe schoenen?)
  16. Luyksgestels: strante schoewn oantrekke (=stoute schoenen aantrekken)
  17. Lovendegems: deur zijn schoenen zitten (=kapotte schoenen hebben*)
  18. Westerkwartiers: ze kocht noagal gauw es nije schoen'n (=zij kocht regelmatig nieuwe schoenen)
  19. Heist-op-den-Berg: bes in heer schoene (=Zonder kousen in de schoenen)
  20. Sint-Niklaas: die schoenen slokken (=die schoenen zijn te groot)
  21. Lochristis: zijn mijn schoens ol gekuist (=zijnmijn schoenen reeds gepoetst)
  22. Oudenbosch: waddedde wir n paor kaole teute (=je moet nodig je schoenen poetsen)
  23. Overmeers: 'n wisse haten schoenen (=een reeks houten klompen)
  24. Lovendegems: een kerre te gruut zijn (=een maat te groot(schoenen)*)
  25. Oudenbosch: ij denkt dattie -j-ut is (=hij loopt naast zijn schoenen)
  26. Helmonds: wa hédde gai skôn skoen (=wat heeft u mooie schoenen)
  27. Liwwadders: un Liwwadder gaat foor skunen naar Steeman op 'e Tunen (=een Leeuwarder gaat voor schoenen naar Steeman op de Tuinen)
  28. Schijndels: Skendelse Skoiers Goan Op Skoan Skoe'n noa Skool (=Schijndele SChooiers Gaan op mooie schoenen naar school)
  29. Lokers: Wie nie besnot is, moe nie snuiten (=Iemand die recht in zijn schoenen staat)
  30. Tilburgs: mèn nuuw schoen zèn nòg as nuut (=mijn nieuwe schoenen zijn nog als nieuw)
  31. Flakkees: di heit stroengt anzn schoenen (=een hoogmoedig mens)
  32. Flakkees: ik gae mn schoenen thuusbringe (=naar huis gaan)
  33. Munsterbilzen - Minsters: vêr wo moeste nau toch mèr ne soetjae aon ? (=als je geen voeten hebt, moet je ook geen schoenen)
  34. Bilzers: aste geen boste hübs, hoeste toch ook gene soetjae (=als je geen voeten hebt, moet je toch geen schoenen)
  35. Haags: je mot gein âhwe schoene weggauie voâhdat je 'n nieuwe daus heb (=Je moet je oude schoenen niet weggooien, voordat je nieuwe hebt.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen