Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` passe`

  1. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  2. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  3. daar valt wel een mouw aan te passen (=daar is wel een oplossing voor te vinden)
  4. met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak)
  5. op je tellen passen (=voorzichtig zijn)

6 betekenissen bevatten ` passe`

  1. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  2. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  3. dat wast al het water van de zee niet af (=iets is niet meer te veranderen/aan te passen)
  4. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  5. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  6. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)

Het dialectenwoordenboek kent 25 spreekwoorden met ` passe`

  1. Duffels: passeede weik (=verleden week)
  2. Aalsters: mak isj deir (=mag ik u even passeren ?)
  3. Sint-Niklaas: dawas passeede week (=dat was vorige week)
  4. Sint-Niklaas: verlee (passeede) week (=verleden week)
  5. Westerkwartiers: 't is paaz'n en meet'n (=passen - het passen en meten)
  6. Munsterbilzen - Minsters: lot de poes mër pisse (=laisser faire,laisser passer)
  7. Veurns: van passe slok (=op consumptietemperatuur)
  8. Tilburgs: ötkèèke èn daoge tèlle (=op je tellen passen)
  9. Drents: goed te passe (=alles goed)
  10. Veurns: van passe komm'n (=bruikbaar zijn)
  11. Sint-Niklaas: wulde da ies gwasloagen (=wil je daar eens op passen)
  12. Sint-Niklaas: 'k en èm zjuust mè ne schemel zien passeren (=ik geloof dat hij hier juist voorbij ging)
  13. Graauws: op de deur passen (=thuis blijven)
  14. Steins: die luu ligke zich neet (=sommige mensen passen niet bij elkaar)
  15. Drents: Met 't iene oog lachen en met 't aander oog rèren (=Je aan kunnen passen onder alle omstandigheden)
  16. Westerkwartiers: die benn'n goed met 'n anner op streek (=die passen goed bij elkaar)
  17. Oudenbosch: die kleure fokkedeere nie (=die kleuren staan/passen niet bij elkaar)
  18. Mestreechs: diene keutel intrekke-passe (=terug komen op je beslissing)
  19. Oudenbosch: mee passe en mete wor veul tijd verslete (=dat is een tijdrovend werk)
  20. Opglabbeeks: geine muuw aan te passe (=geen raad weten)
  21. Merenaars: a moet op zen tellen passen, letten (=hij moet goed oppassen, opletten wat hij zegt)
  22. Drents: Hij mot op de zwörm passen. (=Iemand wiens vrouw 'op alledag' loopt)
  23. Oudenbosch: kan ut nie sjuust passe (=ik heb te weinig klein geld bij)
  24. Harelbeeks: wa komme kik ier nu van passe (=waarom word ik hier nu mee vergeleken)
  25. Munsterbilzen - Minsters: (da deeste nie !) op ielek pètsje passe dèkselke (=vraag eens aan die lesbienne wat de pot schaft)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen