Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


141 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` paard`

  1. Aan een dood paard trekken. (=Je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  2. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  3. achteruit gaan als een hollend paard (=snel terrein verliezen)
  4. Achteruit gaan als een hollend paard. (=Snel terrein verliezen)
  5. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Huwbare meisjes moeten niet achter de vrijer aanlopen.)
  6. Als het hooi het paard volgt, dan wil het gegeten zijn. (=Als de vrijster achter haar geliefde aanloopt, wil zij te graag trouwen)
  7. anderhalve man en een paardenkop (=weinig aanwezigen)
  8. Beter een blind paard dan een leeg halster. (=Beter iets dan niets)
  9. Beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=Kiezen voor zekerheid.)
  10. Dat is een paard van een daalder. (=Dat is een trots mens)
  11. Dat kan het paard niet trekken. (=Daar heb ik onvoldoende geld voor)
  12. dat paard zal mij niet meer slaan (=dat zal mij niet meer gebeuren)
  13. Dat paard zal mij niet meer slaan. (=Voortaan zal ik beter oppassen)
  14. De beste paarden staan op stal. (=De leukste meisjes gaan niet uit)
  15. De boer op de bok liet de teugels vieren, het paard kende zelf de weg wel. (=Je moet niet doen alsof je de beste bent, iemand anders weet ook wel wat)
  16. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  17. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  18. de man wel, maar het paard niet (=niet helemaal eerlijk zijn)
  19. de paarden achter de wagen spannen (=de zaak verkeerd aanpakken)
  20. de paarden die de haver verdienen krijgen ze niet (=zij die het goede werk verrichten, krijgen niet altijd de beloning)
  21. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet. (=Verdienste blijft vaak onbeloond)
  22. de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
  23. De prins op het witte paard. (=De man uit je dromen)
  24. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  25. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  26. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  27. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  28. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  29. Een blind paard zou er geen schade doen. (=Daar in huis is letterlijk niets meer)
  30. een dood paard aan een boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
  31. Een dood paard aan een boom binden. (=Overdreven voorzichtig zijn)
  32. Een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=Als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  33. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  34. Een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen. (=Men is geneigd andermans spullen te misbruiken)
  35. Een goed paard maakt nog geen goede ruiter. (=Niet enkel de middelen tellen, ook de vaardigheid is belangrijk om resultaat te krijgen.)
  36. Een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=Een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  37. Een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels. (=In het huwelijk hebben man en vrouw elkaar nodig)
  38. Eén onderrok trekt meer dan twee paarden. (=De invloed van een vrouw is heel sterk)
  39. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  40. Een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=Een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  41. Een oud paard van stal halen. (=Oude argumenten opnieuw gebruiken)
  42. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  43. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  44. Een paard dat stormt en een meisje dat wil trouwen zijn niet tegen te houwen. (=Niet tot iets anders te bewegen)
  45. Een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=Zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
  46. Een paard, dat voor de tweede keer de sprong niet neemt, neemt hem ook voor de derde keer niet. (=Iemand die al twee keer geen beslissing durft te nemen, komt nooit tot een besluit)
  47. Een paardenmiddel (=Een sterk medicijn)
  48. een paardenmiddel (=een uiterste remedie)
  49. Een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  50. een schurftig paard vreest de roskam (=iemand die aan iets schuldig is, heeft liever niet dat datgeen onderzocht wordt)

Eén betekenis bevat ` paard`

  1. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)

Het dialectenwoordenboek kent 39 spreekwoorden met ` paard`

  1. Lovendegems: pirduge(paardenoog bakken (=spiegelei bakken*)
  2. Opglabbeeks: sjeive steike (=wortels van paardenbloemen als konijnevoer uitsteken)
  3. Spakenburgs: da paarde rande van da barg aff (=de paard rende van de berg te snel)
  4. Antwerps: paard (=paard)
  5. Tilburgs: de waaj stin vòl pisblomme (=de wei stond vol paardenbloemen)
  6. Sevenums: Un vrouwenhank en unne paerdetank stoan noeit stil (=Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil)
  7. Achels: Vrulliehaan en peirdentaan meugen noeijt stilstoan. (=Vrouwenhanden en paardentanden mogen nooit stilstaan)
  8. Achterhoeks: Slok reep'n. Repen=strengen van het paardentuig. (=Weinig inspanning leveren.)
  9. Fries: hynders (=paard)
  10. Walshoutems: boddelkeir (=Trekkar voor paarden met 2 wielen)
  11. Tilburgs: koeje van pèèrde (=heel grote paarden)
  12. Londerzeels: Wut pjeit zwet pjeit(snel achter mekaar zeggen was een spelletje (=Wit paard zwart paard)
  13. Munsterbilzen - Minsters: sloekke waaj ne sjierdosser (=eten als een paard)
  14. Munsterbilzen - Minsters: nen dikke nak (=over het paard getild)
  15. Overrepens: wereke as e pjaad (=werken als een paard)
  16. Nuths: Ete es ene sjurendescher (=Eten als een paard.)
  17. Westerkwartiers: hij lopt noast zien schoen'n (=hij is over het paard getild)
  18. Westerkwartiers: de knubbel ien 't hoenerhok gooi'n (=man en paard noemen)
  19. Rotterdams: Over het paard getild (=Arrogant)
  20. Sint-Laureins: scherlewiep op zijn peird zittn (=dwars op een paard zitten)
  21. Sevenums: paerd scherp zetten (=paard schroeven onder hoefijzers doen bij gladheid)
  22. Driels: doar durft nog gin bleind pèèrd nor toe (=daar durft nog geen blind paard naartoe)
  23. Liemers: Een gekege paerd mo'j nie in de smoel kieke. (=Gekregen paard niet in de bek kijken.)
  24. Zeeuws: dorst as paerd van bibbe (=dorst als het paard van bibbe (zierikzee))
  25. Twents: Den löp noast de schoone (=Dat is een over het paard getild persoon.)
  26. Nuths: Doch ,t breer mer toew angesch kumet peard oe,et. (=Doe het hek dicht voor het paard.)
  27. Liemers: Hei-j dén kaerl gezie:n meh dah paerd kaerl wah lie:p dah paerd. (=Kerel met hardlopend paard.)
  28. Zaans: Wat dochte jullie, ouwe knolle (paarden) moete eerst of? (=Wanneer de jeugd niet even wil helpen)
  29. Westerkwartiers: 'n geev'n peerd maag je niet ien 'e bek kiek'n (=geven - 'n gegeven paard mag je niet in de bek kijken)
  30. Westerkwartiers: 'n geev'm peerd moe'j niet ien 'e bek kiek'n (=een gegeven paard moet je niet in de bek kijken)
  31. Denderleeuws: zoe dom as 't pjeid van kristis en da was ne nezel (=zo dom als het paard van christus en dat was een ezel)
  32. Heusdens: de iene boer vroagt an den nare boer , hoe giet het be oer pjerd me pjerd da giet nie da lupt , en hoe lupt oer pjerd oh het giet (=de ene boer vraagt aan de andere boer hoe gaat met Uw paard de boer antwoord mijn paard gaat niet , dat loopt , en hoe loopt Uw paard oh het gaat)
  33. Steins: ein krak van ei paerd (=paard (onverzorgd mager ))
  34. Zeeuws: dorst als het paard van bibbe (zierikzee) (=veel drinken)
  35. Denderleeuws: ik kan zingen gelek e pjied mo kan zoe noag ne loepen (=ik kan zingen zoals een paard maar kan niet zo hard lopen)
  36. Millers: Mille bô ze de katte ville, de hûn spoare en de pjadde de nack oaf voare. (=Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de paarden de nek afrijden.)
  37. Rotterdams: Krijg nog liever een schop van een paard (=Er geen zin in hebben)
  38. Achterhoeks: un peerd en un hond hinkt um de stront (=Wanneer een paard of een hond maar iets aan hun poten hebben, lopen ze mank)
  39. Munsterbilzen - Minsters: Zjang Maajers, mèt zen braudkar, koëm mekan altijd zaot trèg iëver den Driëf van Eegebilze (=Het paard van bakker Jan Meyers kende de weg van Eigenbilzen over de Dreef van buiten, als Zjang weer eens zat was.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen