Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


37 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` oud`

  1. Aan een oud dak moet je veel herstellen (=Verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  2. al zo oud als de weg naar Kralingen (=erg oud)
  3. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  4. altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  5. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  6. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  7. de oude adam (=de zondige natuur (aard))
  8. de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  9. de oude zuurdesem (=het oude kwaad)
  10. een nieuwe lap op een oud kleed (=een zinloze toevoeging)
  11. Een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=Een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  12. Een oud paard van stal halen. (=Oude argumenten opnieuw gebruiken)
  13. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  14. een oud wijf zijn (=zich niet flink gedragen - zeuren)
  15. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  16. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  17. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  18. een tang van een wijf. / Een oude tang (=een heks, feeks. / Een oude lastige vrouw)
  19. geen ding betert door ouderdom (=alles verslijt door de ouderdom)
  20. geen oud wijf bleef aan het spinnewiel (=iedereen kwam kijken)
  21. het is lood om oud ijzer (=het komt op hetzelfde neer)
  22. het oude liedje (=het al zo vaak gebeurde of gezegde)
  23. jong geleerd is oud gedaan (=hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven)
  24. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  25. Jong te paard, oud te voet. (=Wie in zijn jonge jaren verkwistend is, moet op zijn oude dag zuinig zijn)
  26. men is nooit te oud om te leren (=men kan altijd nog bijleren)
  27. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  28. men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft (=je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is)
  29. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  30. Nood doet zelfs oude vrouwen rennen (=Een onverwachte situatie kan verrassende kwaliteiten naar boven brengen (vergelijkbaar met `angst geeft vleugels`))
  31. op een oude fiets moet je het leren (=lesmateriaal is zelden nieuw)
  32. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  33. uit de oude doos (=al oud, nostalgisch)
  34. zo oud als de weg naar Kralingen zijn (=heel erg oud)
  35. zo oud als de weg naar Rome zijn (=heel erg oud)
  36. zo oud als Methusalem zijn (=iemand die bijzonder oud is)
  37. zoals de ouden zongen piepen de jongen (=de jongeren leren het van de ouderen)

45 betekenissen bevatten ` oud`

  1. Aan de veren kent men de vogel (=1: Aan iemands uiterlijk (verzorging / kleding) kan men zijn karakter afleiden. 2: Kinderen lijken vaak op hun ouders)
  2. Abraham gezien hebben (=50 jaar of ouder zijn)
  3. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  4. uit de oude doos (=al oud, nostalgisch)
  5. geen ding betert door ouderdom (=alles verslijt door de ouderdom)
  6. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  7. dat is nog van voor de zondvloed (=dat is al heel oud)
  8. zoals de ouden zongen piepen de jongen (=de jongeren leren het van de ouderen)
  9. tand des tijds (=de sleet door de ouderdom)
  10. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  11. een tang van een wijf. / Een oude tang (=een heks, feeks. / Een oude lastige vrouw)
  12. Een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=Een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  13. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  14. een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje (=een oude man is nog wel seksueel geïnteresseerd in een jong meisje)
  15. een mop met een baard (=een oude mop)
  16. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  17. vaatje zuur bier (=een oude vrijster)
  18. een vaatje zuur bier (=een oude vrijster)
  19. Een oude vrouw en een oude koe, die vallen toe, maar een oude man en een oud paard zijn niets meer waard. (=Een oude vrouw kan soms nog wel wat doen, maar aan een oude man heb je niets dan last)
  20. al zo oud als de weg naar Kralingen (=erg oud)
  21. met Noach in de ark geweest zijn (=erg oud(erwets) en uit de mode zijn)
  22. zo oud als de weg naar Kralingen zijn (=heel erg oud)
  23. zo oud als de weg naar Rome zijn (=heel erg oud)
  24. niet meer van vandaag (=het is ouderwets of niet meer acceptabel)
  25. de oude zuurdesem (=het oude kwaad)
  26. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  27. oud mal gaat bovenal (=hoe ouder hoe gekker)
  28. zo oud als Methusalem zijn (=iemand die bijzonder oud is)
  29. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  30. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  31. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  32. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  33. de appel valt niet ver van de stam/boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  34. het ei wil wijzer zijn dan de kip (=kinderen willen wijzer zijn dan de ouders)
  35. het verstand komt met de jaren (=naarmate je ouder wordt, word je wijzer en verstandiger)
  36. niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
  37. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
  38. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  39. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
  40. de klok achteruit zetten (=terug naar oude toestanden gaan)
  41. kruisjes achter de rug hebben (=tientallen jaren oud zijn)
  42. van aver tot aver (=van ouder tot ouder)
  43. uit het jaar nul (=volkomen ouderwets, achterhaald, uit de mode)
  44. Jong te paard, oud te voet. (=Wie in zijn jonge jaren verkwistend is, moet op zijn oude dag zuinig zijn)
  45. wie naar zijn moeder en vader niet hoort moet het kalfsvel volgen (=wie niet naar zijn ouders luistert, moet soldaat worden)

Het dialectenwoordenboek kent 1041 spreekwoorden met ` oud`

  1. Giethoorns: Oudjes kunnen niet jongleren. (=Jong geleerd is oud gedaan.)
  2. Haags: Oudjes kunnen niet jongleren. (=Jong geleerd is oud gedaan.)
  3. Aalsters: Oudjes kunnen niet jongleren. (=Jong geleerd is oud gedaan.)
  4. Oudenbosch: bij Mie van de Veraande (int Touwlaant) 1945 (=bij het Kruis (in het oudland))
  5. Munsterbilzen - Minsters: èn de fleur van zenen aae daog (=een jong oudje)
  6. Flakkees: die komt van achter t duunhek (=een simpele ziel uit ouddorp)
  7. Westerkwartiers: gien olle schoen'n votsmiet'n veur je nije'n hemm'n (=niets ouds wegdoen voor je iets nieuws hebt)
  8. Gouda: Tobbe tobbe mettet bootje naar Ouwewater (=Tobben met het bootje naar oudewater)
  9. Sint-Katelijne-Waver: Nievejaarke zoete ons vérke ei vier voeten en ne sjeit is da giêne nievejaar weit (=Oudjaar liedje)
  10. Sallands: Doe mar kalm an, wi-j hebt tegelieke oldejoarsdag (=Doe maar rustig aan, we hebben gelijktijdig oudejaarsdag)
  11. Zeeuws: tvaalt erin as een preek in un ouderlienk (=vallen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: ver zin allang autte kleen manne (=we komen stilaan op ouderdom)
  13. Bilzers: Nen aaën aop géén moule leire trèkke (=de oudjes weten het wel beter)
  14. Zeeuws: tis un jurk uut tjer nul (=ouderwets)
  15. Giethoorns: De benen bi-j een aander onder de taofel steken (=Uit het ouderlijk huis vertrekken)
  16. Tilburgs: un aawerwèts haandketaaw (=een ouderwets handweefgetouw)
  17. Oudenhoofs: Tcheneworre (=God zegene en beware u)
  18. Oudenhoofs: g'eet er koek'n op (=doe uw best)
  19. Oudenbosch: en nouw oudoe eige koest (=en nu moet je verder rustig blijven)
  20. Geels: nen aawen toeker (=een oudere man)
  21. Bilzers: joeg laaj zin laajer as aa laaj, én da gaefechtech oppen laaj (=jong volkje is luier dan de oudjes en dat geef ik je op papier)
  22. Munsterbilzen - Minsters: aachtein joeër énne bos hoeër ! (=op deze ouderdom moet hij nog veel leren)
  23. Sint-Katelijne-Waver: Gelèk as daa zoengen zo zingen de joenge (=Zoals de ouderen zongen zo zingen de jongen)
  24. Munsterbilzen - Minsters: waaj de aa vrigger joengelde, zo poeppe de joeng nau (=zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen)
  25. Westerkwartiers: dat ding stamt uut de oertied (=dat is een ouderwets ding)
  26. Westerkwartiers: hij het nog met Noach onner de honnekaar loop'n (=hij is erg ouderwets)
  27. Oudenaards: ne snuk krijgen (=geëlektrocuteerd worden)
  28. kortemarks: oe oedre oe vroedre (=hoe ouder, hoe vuriger)
  29. Zaans: Oud, oud, de duvel is oud - en ze moer nag ouwer (=Over oud worden)
  30. Oudorps: zo dom als unne zâk stront (=zo dom als het achtereind van een varken)
  31. Oudenbosch: Ouwenbosch dialect (=Oudenbosch dialect)
  32. Munsterbilzen - Minsters: er hèt nog mètte hondskaar gerieje (='t is al zo een ouderwets type)
  33. Munsterbilzen - Minsters: tverstand kümp mètte joeëre (=hoe ouder hoe wijzer)
  34. Munsterbilzen - Minsters: abraham (sara) gezien hübbe (=ouder dan 50 zijn)
  35. Ouddorps: vaoien waobes (=sufferd)
  36. Ninoofs: oubakken breud (=oud brood)
  37. Oudenaards: buzze geevn (=snel rijden)
  38. Schijndels: bitter'n auw perd kapot als un jong overstuur (=de oudere generatie doet het wel)
  39. Oudenbosch: Sienterklaos en zwaove (=geloofsleven te oudenbosch)
  40. Hulsters (NL): Al op un ouwejaorsavend, toen sloogh dun bakker zun waif, al mee un ete knuppel de velle van eur laif, ut waif dat wou nie soreke, de knuppel, die wouw nie breken, de knuppen, die brek ut waif, da sprak, o, wa rara dingen zain dat. wa zullewe dun bak (=liedje met oudjaar)
  41. Steins: op eine auwe fits mòste 't liërre (=Van de ouderen moet men het leren)
  42. betuws: Die hed ut mos op de kop (=Een ouder persoon / bejaarde)
  43. Westerkwartiers: 't verstaand komt met de joar'n (=hoe ouder, hoe wijzer)
  44. Bilzers: tverstand kump nie vër de joëre (=hoe ouder hoe wijzer)
  45. Wetters: ij vernuilt mee te vernaan (=hij wordt dommer met ouder worden)
  46. Oudenbosch: ouwe paole kundut best mar laote staon (=oude dingen moet je niet willen veranderen)
  47. Riemsts: sjokoantkoat (=oude vrouw (scheldnaam))
  48. Oudenaards: in den truk zittn (=in de tocht zitten)
  49. Teralfene: NENEUNUIN (=EEN oudE HAAN)
  50. Antwerps: nagelenbak, au wrak (=oude auto)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen