Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` oog`

  1. daar is geen oogje vet meer op (=dat is niet veel meer waard)
  2. dat past als een vuist in een oog (=dat past helemaal niet)
  3. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  4. door het oog van de naald kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  5. een doorn in het oog zijn (=ergens aan ergeren)
  6. een oog in het zeil houden (=in de gaten houden)
  7. een oogje dichtdrukken/toeknijpen/luiken (=niet optreden tegen iets wat eigenlijk niet mag. Iets gedogen)
  8. een oogje in het zeil houden (=iets in de gaten houden)
  9. Een oogje in het zeil houden (=Alert zijn)
  10. een oogje op iemand hebben (=tedere, mogelijk verliefde, gevoelens voor iemand koesteren)
  11. een open oog voor iets hebben (=voor iets open staan)
  12. ergens geen oog voor hebben (=er niet op letten)
  13. ergens oog voor hebben (=ergens de waarde van inzien of aandacht voor hebben)
  14. geheel oog zijn (=heel goed opletten)
  15. het oog is groter dan de maag (=meer op het bord scheppen dan er opgegeten kan worden)
  16. het oog van de meester maakt het paard vet (=het werk gebeurt beter als de baas toezicht houdt)
  17. Het oog van de meester maakt het paard vet. (=Je moet als baas zelf toezicht houden, want anders wordt je bedrijf verwaarloosd)
  18. het oog van de wereld (=de publieke opinie)
  19. het oog wil ook wel wat (=het uiterlijk van iets speelt ook een rol)
  20. het oog ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
  21. iemands oogappel/ooilam zijn (=iemands lieveling zijn (vaak kind))
  22. Iets door het oog van de schaar halen (=Materiaal van op het werk voor jezelf houden / Jezelf oneerlijk zaken toe-eigenen)
  23. iets op het oog hebben (=voor zichzelf al iets hebben uitgekozen)
  24. in het oog hebben (=binnen het gezichtsveld zijn)
  25. in het oog houden (=binnen het gezichtsveld houden)
  26. in het oog krijgen (=opmerken)
  27. in het oog lopen (=opvallen)
  28. in het oog springen/vallen (=de aandacht trekken)
  29. liefhebben als de appel van zijn oog (=erg veel van iemand houden)
  30. met het blote oog (=met het oog te zien, zonder hulpmiddelen)
  31. met het ongewapend oog (=met het blote oog (zonder hulpmiddelen))
  32. onder het oog brengen (=doen opmerken)
  33. oog om oog en tand om tand (=wraak nemen voor onrecht dat je is aangedaan, door de dader precies hetzelfde aan te doen)
  34. uit het oog verliezen (=er niet meer aan denken)
  35. uit het oog, uit het hart (=de aandacht voor iemand verliezen, als die persoon niet meer in de nabijheid is)
  36. wat het oog niet ziet, wat het hart niet deert (=wat je niet ziet en niet weet heb je ook geen last)
  37. wat men aan het zaad spaart verliest men aan de oogst (=verkeerde zuinigheid is niet goed)
  38. wie wind zaait zal storm oogsten (=wie ruzie probeert te veroorzaken zal zelf ruzie krijgen)
  39. zoals men zaait zo zal men oogsten (=men krijgt loon naar werken)

7 betekenissen bevatten ` oog`

  1. over lijken gaan (=doordouwen zonder oog voor ethiek of moraal)
  2. de rijpste pruimen zijn geschud (=het belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  3. Iets door de vingers zien (=Iets oogluikend toestaan)
  4. in het vizier hebben (=in het oog hebben, binnen het gezichtsveld zijn)
  5. op de garf/garve bouwen (=land bebouwen met betaling van de pacht met een deel van de oogst)
  6. met het ongewapend oog (=met het blote oog (zonder hulpmiddelen))
  7. met het blote oog (=met het oog te zien, zonder hulpmiddelen)

Het dialectenwoordenboek kent 112 spreekwoorden met ` oog`

  1. Sint-Niklaas: een oogske trekken; pinken (=knipogen)
  2. Sittards: Ein uigske toekniepe (=Een oogje dichtknijpen)
  3. Veurns: èn oogsj' èn op etwieën (=zijn oog laten vallen hebben op iemand)
  4. Munsterbilzen - Minsters: hae hètter gee goed oog èn (=de oogarts ziet het niet meer zitten)
  5. Munsterbilzen - Minsters: aut zen oogdoppe kieke (=goed opletten)
  6. Westerkwartiers: da's mien oogabbeltje (=dat is mijn aller- allerliefste)
  7. Sint-Niklaas: een pinkoog (=een dik, onstoken, ooglid)
  8. Westerkwartiers: da's mien oogabbeltje (=dat is mijn lievelingetje)
  9. Tilburgs: hè nêep un ugske toe (=hij deed een oogje dicht)
  10. Sallands: ik binne noar oogeveene ennewest (=ik ben naar hoogeveen geweest)
  11. Bilzers: da stikmech men oogen aut (=ik kan er niet aan weerstaan)
  12. Westerkwartiers: ien 'n onbewoakt oog'nblikje . . . (=toen er even niet werd opgelet . . .)
  13. Boakels: dor hittie un uijgske nôp (=daar heeft hij een oogje op)
  14. Bilzers: Haat ver daste trouws zen ooge goed oëpe, mer kniep ze ternoë wol es tau ! (=voor het huwelijk : ogen open, na het huwelijk : soms 1 oogje dicht !)
  15. Westerkwartiers: 'n oogje toekniep'm (=iets stiekem toelaten)
  16. Veurns: mo thoop' ang'n mi aak'n en oog'n (=niet goed ineenzitten)
  17. Westerkwartiers: onner vier oog'n beproat'n (=met z'n tweeën bespreken)
  18. Zeeuws: bie je zekel ni dnoest (=met je sikkel na de oogst)
  19. West-Vlaams: kerjoole vieër'n (=het binnenhalen van de oogst vieren)
  20. Veurns: Gin oog'n enoeg èn voe ... (=Grote ogen opzetten)
  21. Westerkwartiers: d' oog'n goed de kost geev'm (=heel goed opletten)
  22. Westerkwartiers: wat onner oog'n zien (=iets onderzoeken)
  23. Veurns: zakk'n oender z'n oog'n èn (=oogwallen hebben)
  24. Veurns: z'n oog'n zein olles (=zijn ogen spraken boekdelen)
  25. Munsterbilzen - Minsters: dae hèt oogkleppe aon (=hij heeft alleen aandacht voor zichzelf)
  26. Bilzers: zen ooge de kos gaeve (=alles zien)
  27. Vrasens: Tegen Vroase-karmes steken we nuve petetten. (=Als het kekrmis is in Vrasene, oogsten we nieuwe aardappelen)
  28. Aalsters: tzal van an nees in a moil drippen (=men oogst wat men zaait)
  29. Twents: de oog'n nig vol hebb'n (=Altijd maar meer willen hebben)
  30. Westerkwartiers: 'n oogje ien 't zeil holl'n (=iets in de gaten houden)
  31. Westerkwartiers: hij het de oog'n boov'm ien 'e kop (=hij is nogal kwaad)
  32. Bilzers: ooge mét sted (= staarten) hübbe (=alles in de gaten hebben)
  33. Munsterbilzen - Minsters: wrijf ès goed dër zen ooge (=kijk eens goed)
  34. Munsterbilzen - Minsters: zen ooge goed de kos gaeve (=niet erlangs kijken)
  35. Munsterbilzen - Minsters: dae hèt ooge op zenne rëg (=hij ziet kompleet alles)
  36. Munsterbilzen - Minsters: de ooge autstaeke (=afgunstig maken)
  37. Munsterbilzen - Minsters: ich zien het on zen ooge (=je verklapt jezelf)
  38. Munsterbilzen - Minsters: oogen en aure tekot hëbbe (=voor alles en iedereen aandacht moeten hebben)
  39. Munsterbilzen - Minsters: zen ooge goed de kos gaeve (=alles goed bestuderen)
  40. Munsterbilzen - Minsters: zen ooge goed de kos gaeve (=alles goed bezien)
  41. Bilzers: zen ooge de kos gaeve (=goed opletten)
  42. Munsterbilzen - Minsters: tziet zwat vür men ooge (=ik ben duizelig)
  43. Munsterbilzen - Minsters: de ooge autte kop kieke (=staren)
  44. Amsterdams: hij is z'n oogleden van binne aan't bekijke (=hij slaapt)
  45. Amsterdams: Ik ga mijn sokken nummeren, film achter m'n oogleden bekijken (=Ik ga slapen)
  46. Sint-Niklaas: oestweer (=gunstig weer om de oogst binnen te halen)
  47. Westerkwartiers: hij het luuk'n veur de oog'n (=hij heeft alleen aandacht voor zichzelf)
  48. Twents: Wee ziene oogn nich lös döt, möt vaak de knip lös doon (=Wie z'n ogen niet openhoudt, moet vaak de portemonnee trekken)
  49. Westerkwartiers: ien zien oog'n ben 'k niks (=naar zijn mening ben ik niets)
  50. Iepers: den ekst'r zit ooge (=een vrouw met lange benen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen