Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


45 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` nem`

  1. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  2. de benen nemen (=er vandoor gaan)
  3. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  4. de gelegenheid te baat nemen (=van de gelegenheid gebruik maken)
  5. de kuierlatten nemen (=te voet gaan)
  6. een bocht nemen (=van gedachten veranderen)
  7. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  8. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  9. een loopje met iemand nemen (=zich weinig van iemand aantrekken (die de leiding heeft))
  10. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  11. Elkaar bij de neus nemen (=Elkaar voor de gek houden)
  12. geen blad voor de mond nemen (=precies zeggen hoe er over iets gedacht wordt)
  13. het ervan nemen (=ervan genieten - niet werken)
  14. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  15. het recht in eigen hand nemen (=eigenmachtig optreden)
  16. iemand bij de neus nemen (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen)
  17. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  18. Iemand de teugels uit handen nemen. (=Iemand de leiding afnemen)
  19. iemand de wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
  20. iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien)
  21. iemand in de arm nemen (=iemand de hulp vragen om te ondersteunen)
  22. iemand in de boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
  23. iemand in de maling nemen (=iemand voor de gek houden)
  24. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  25. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  26. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  27. iemand onder zijn vleugels nemen (=iemand beschermen of verzorgen)
  28. iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
  29. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebruiken voor eigen belang zonder dat die het doorheeft)
  30. iemand te grazen nemen (=iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen)
  31. iets met een korreltje zout nemen (=iets niet helemaal voor waarheid aannemen)
  32. iets of iemand op de korrel nemen (=kritiek op iets of iemand hebben)
  33. iets onder de loep nemen (=iets nauwkeurig onderzoeken)
  34. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  35. in ogenschouw nemen (=bekijken)
  36. in verzekerde bewaring nemen (=opsluiten (in gevangenis))
  37. onder de loupe nemen (=nader bekijken, aandachtig bestuderen)
  38. onder de vleugels nemen (=onder zijn hoede nemen)
  39. op de koop toe nemen (=een onbedoeld gevolg accepteren)
  40. poolshoogte nemen (=zich vooraf informeren over de situatie)
  41. te veel hooi op je vork nemen (=te veel werk aannemen, zodat je in moeilijkheden komt)
  42. ter harte nemen (=het zich aantrekken)
  43. voor lief nemen (=aanvaarden)
  44. zich in acht nemen (=zichzelf verzorgen)
  45. zijn draai nemen (=van mening veranderen)

59 betekenissen bevatten ` nem`

  1. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  2. geen klaviertje over slaan (=alle bijzonderheden in acht nemen)
  3. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  4. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  5. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  6. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico's blijft nemen, gaat het een keer mis)
  7. Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=Bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  8. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  9. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  10. Een deksel op de kop hebben (=De verantwoordelijkheid voor iets nemen)
  11. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  12. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  13. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  14. zich in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  15. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  16. een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet genoeg om een definitief besluit te nemen)
  17. een keer nemen (=een wending nemen, veranderen)
  18. niet over een nacht ijs gaan (=eerst nadenken voor men iets doet - geen risico's nemen)
  19. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  20. ergens een puntje aan kunnen zuigen (=er een goed voorbeeld aan kunnen nemen)
  21. er niet aan kunnen tippen (=er een voorbeeld aan kunnen nemen)
  22. akte van iets nemen (=er nota van nemen - onthouden)
  23. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  24. iets aan je laars lappen (=geen notitie nemen van regels, wet of voorschriften)
  25. als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan (=genoegen nemen met wat er beschikbaar/mogelijk is)
  26. in de waagschaal stellen (=groot risico nemen)
  27. het schip ingaan (=groot risico nemen, leidend tot verlies)
  28. op een papieren zoldertje lopen (=grote risico`s nemen)
  29. de boter eruit braden (=het ervan nemen)
  30. oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
  31. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  32. een verdieping op zijn huis zetten (=hypotheek nemen)
  33. Een paard, dat voor de tweede keer de sprong niet neemt, neemt hem ook voor de derde keer niet. (=Iemand die al twee keer geen beslissing durft te nemen, komt nooit tot een besluit)
  34. wie aan de weg timmert heeft veel bekijks (=iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek)
  35. iemand te grazen nemen (=iemand een gemene streek leveren, op gemene manier er tussen nemen)
  36. iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
  37. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  38. iemand een loer draaien (=iemand lelijk behandelen, lelijk te grazen nemen)
  39. iemand een kool stoven (=iemand op een onprettige manier ertussen nemen)
  40. ergens een halszaak van maken (=iets heel erg aantrekken en ernstig nemen)
  41. iets voor zijn verantwoording nemen (=iets op zich nemen)
  42. De haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=Men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  43. men kan een paard niet lopend beslaan (=men moet er zijn tijd voor nemen)
  44. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  45. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  46. eieren voor je geld kiezen (=met minder genoegen nemen dan men eerder wilde)
  47. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  48. aan de balk schrijven (=nota nemen van iets ongewoons)
  49. onder de vleugels nemen (=onder zijn hoede nemen)
  50. met een kanon op een mug schieten (=ophef maken om niks / overdreven zware maatregelen nemen)

Het dialectenwoordenboek kent 112 spreekwoorden met ` nem`

  1. Westerkwartiers: één op 'e hak nemm'n (=iemand in het ootje nemen)
  2. Zwols: Een ofzäkkertien nemmn (=Een laatste borrel nemen)
  3. Westerkwartiers: één met 'n korreltje zolt nemm'n (=iemand niet serieus nemen)
  4. Zichers: genein nemé zegge (=verbaasd zijn)
  5. Schevenings: Effeh een dûk nemeh (=Ik ga even douchen)
  6. Geels: dieje kan nemieje op zen poewete stoan teveul gezoope (=hij heeft teveel gedronken)
  7. Mechels (BE): a wait van gien out paole nemie te make (=hij is totaal verarmd)
  8. Twents: As ie d`r ene zear wilt doon, mot ie 'n stoomp mes nemm'n (=Als je iemand pijn wilt doen, moet je een stomp mes nemen.)
  9. Westerkwartiers: poolshoogte nemm'n (=de situatie opnemen)
  10. Westerkwartiers: de proef op 'e som nemm'n (=iets uittesten)
  11. Opglabbeeks: dè luustert noa nemes (=hij gehoorzaamt niemand)
  12. Lebbeeks: vèrken: Moest zijne kop op e vèrke staun, 'k étte vazzelèive giën kottelétt'n nem(=Hij is erg lelijk)
  13. Kaatsheuvels: ut rèègent, zedde gij nie vergete oe dokkelèèrze mee te neme? (=het regent, ben je niet vergeten je rubberlaarzen mee te nemen?)
  14. Westerkwartiers: één ien 'e moaling nemm'n (=iemand voor de gek houden)
  15. tervurens: dei verjoet nemi (zij is niet meer jarig) (=als een vrouw er heel oud uit ziet)
  16. Overijses: giene rotte kaar nemi (=bezit geen 25 cent meer)
  17. Arendonks: z'èmmeh nem bèh z'n kladdeh (=men heeft hem te pakken)
  18. Heusdens: 't kan noa giene köijd nemie (=het kan nu geen kwaad meer)
  19. Brakels: ne kiejr afkaap'n (=siesta nemen)
  20. Bargoens: in de zeik nemen (=in de maling nemen)
  21. tervurens: kem gien poojer nemi (=ik ben bekaf, ik kan niet meer)
  22. Loksbergs: tegriest goan (=binnenweg nemen)
  23. Westerkwartiers: alles op 't spel zett'n (=alle risico's nemen)
  24. Opglabbeeks: de knuip duurhuiwe (=belangrijke beslissing nemen)
  25. Bilzers: mét zene sjabbernak pakke (=bij zijn nekvel nemen)
  26. Westerkwartiers: de knoop deurhakk'n (=een beslissing nemen)
  27. Veurns: èn oek ofsteek'n (=een kortere weg nemen)
  28. Kotnaaks: te griest goin (=een kortere weg nemen)
  29. Genneps: iemand vór vief cènt gèève (=iemand flink onderhanden nemen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: iemed get koejlëk pakke (=iemand iets kwalijk nemen)
  31. Gelaens (Geleens): Emes vernäöke. (=Iemand in het ootje nemen.)
  32. Zwols: de gek an steken (=in de maling nemen)
  33. Rijsoords: Waffere momme ? (=Welke moeten we nemen ?)
  34. Roermonds: bikkesemente in dae gevel duje (=voedsel tot je nemen)
  35. Amsterdams: In de veiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  36. Amsterdams: In de feiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  37. Achterhoeks: Nem een möpke (koekje) bi-j de koffie. (=Neem het er van. Maak er het beste van.Kan ook ironisch bedoeld zijn.)
  38. Opglabbeeks: es het nemes wet dan brengen het de kreije uut (=Als het niemand weet brengen het de kraaien uit)
  39. Wierings: 'k zal m'n gat maar weer onger min erreme neme (=ik zal maar weer eens aan het werk gaan)
  40. Sint-Niklaas: ne kloot afdrjaan (=beet nemen)
  41. Waregems: een woordse placeer'n (=even (kort) het woord nemen)
  42. Giethoorns: Het vleis liever em as de botten (=Het allersbeste nemen)
  43. Munsterbilzen - Minsters: iemes ne kloet aofdraeë (=iemand in de maling nemen)
  44. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen libbere pakke (=met zijn vel nemen)
  45. Kotnaaks: tegriest goin (=een kortere weg nemen)
  46. Oudenbosch: de klevetter opgaon (=viervoets de benen nemen)
  47. Genneps: beij de feeter hebbe (=te grazen nemen)
  48. Giessendams: wafferemôme (=Welke moeten we nemen)
  49. Hals: in zaane nek zitte (=iemand in het ootje nemen)
  50. Waregems: dr es geeën droad an ebrookn (=we nemen het u niet kwalijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen