Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` min`

  1. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  2. in der minne schikken (=zonder verder geruzie bijleggen)
  3. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  4. men moet van twee kwaden het minste kiezen (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  5. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)

61 betekenissen bevatten ` min`

  1. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  2. men moet van twee kwaden het minste kiezen (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
  3. hoe meer vis, hoe droever water (=als er meer mensen komen valt er minder te verdelen (erfenissen))
  4. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten. (=Als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  5. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  6. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe )
  7. Het hinkende paard komt er achteraan. (=De bezwaren komen achterop. Na blijdschap volgt iets minder aangenaams)
  8. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  9. mindere goden (=de wat minder sterke of slimme)
  10. Sijmen betaalt (=diegene die het minste verdient draagt de kosten)
  11. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  12. tijd slijt (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  13. de teugels laten vieren (=een minder streng beleid voeren)
  14. een bodem in de markt leggen (=een minimumprijs vastleggen)
  15. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij 't minste geluid wakker wordt)
  16. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen (=eigen bezit beschadigt men minder dan gekregen of gehuurd bezit)
  17. de soep wordt nooit zo heet gegeten, als zij wordt opgediend (=er worden meestal minder zware maatregelen toegepast dan was aangekondigd)
  18. er is onkruid onder de tarwe (=er zijn minderwaardige goederen (of personen) tussen de betere)
  19. ergens de angel uittrekken (=ervoor zorgen dat iets minder gevaarlijk wordt door het meest gevaarlijke deel onschadelijk te maken; iets minder pijnlijk maken)
  20. men wordt wel door een mestkar maar niet door een rijtuig overreden (=goed opgevoede mensen beledigen anderen minder)
  21. het touw wat vieren (=het iets minder streng aanpakken)
  22. kaf onder het koren (=het minder goede onder het goede)
  23. aal is geen paling (=het mindere is niet gelijk aan het meerdere)
  24. hij kan praten als Brugman (=hij kan makkelijk met veel woorden een min of meer overtuigend verhaal afsteken)
  25. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
  26. elke zot heeft zijn eigen marot (=iedereen heeft ook minder goede eigenschappen)
  27. iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  28. een voetveeg zijn (=iemand zijn die voor minderwaardige klusjes gebruikt wordt)
  29. zijn neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)
  30. elke medaille heeft een keerzijde (=iets van twee kanten bekijken, aan iedere zaak zitten twee kanten, vaak een positieve en minder positieve kant)
  31. als een nachtkaars uitgaan (=in een gestaag tempo minder worden en eindigen)
  32. geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
  33. vette en magere jaren (hebben) (=jaren met meer welvaart en minder werkloosheid en jaren met minder welvaart en meer werkloosheid)
  34. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  35. een streepje voor hebben (=meer mogen dan een ander, minder gauw straf krijgen)
  36. men kan wel dansen al is het niet met de bruid (=men kan ook wel tevreden zijn met iets minder dan het beste)
  37. met de nek aanzien (=met minachting behandelen)
  38. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  39. eieren voor je geld kiezen (=met minder genoegen nemen dan men eerder wilde)
  40. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  41. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
  42. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  43. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  44. in de luwte vallen (=op minder luide toon verder praten)
  45. Ook een raspaard schijt als een karhengst. (=Rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
  46. pappen en nathouden (=situatie min of meer ongewijzigd te laten zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen)
  47. voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten (=tegen minimale kosten maximaal voordeel verlangen)
  48. katjes die muizen miauwen niet (=tijdens het eten wordt er veel minder gesproken)
  49. bakzeil halen (=toegeven dat je ongelijk hebt / aanzienlijk minder hoge eisen stellen dan je eerder deed)
  50. geen koren zonder kaf (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)

Het dialectenwoordenboek kent 94 spreekwoorden met ` min`

  1. Westerkwartiers: met de nek aankiek'n (=minachten)
  2. Bergeijks: van dun bok op mina's (=van den bok op mina's)
  3. Waregems: iemand skeeëf bekijk'n (=iemand minachtend ontwijken)
  4. Westerkwartiers: één met de nek aankiek'n (=iemand minachten)
  5. Bilzers: et leig ophübbe mèt iemes (=iemand minachten)
  6. Waregems: g' eet mij no lieëg ip (=je minacht mij)
  7. Kortrijks: 't ê briel (=het is minderwaardig tot niets waard)
  8. Brabants: Dè minde nie (=Dat meen je niet)
  9. Sint-Niklaas: min koak is al ont 't ontzinken (=mijn kaak zwelt al minder)
  10. Westerkwartiers: scheve ding'n pizz'n ook (=ook met mindere kwaliteit werrkt het)
  11. Sint-Niklaas: alvelings (=min of meer)
  12. Haperts: Dè minde nie! (=Het is niet waar!)
  13. nieuwkuijks: da minde gij nie (=dat meen je niet)
  14. Zolders: 't es iet gescheete (='t is niet min)
  15. Munsterbilzen - Minsters: das mich get gesjieëte !!! (=die is niet min !)
  16. Roermonds: Of ut get minder kint! (=Mag het wat minder?)
  17. Sint-Niklaas: min voeten singelen, min voeten zin voûs (=mijn voeten tintelen)
  18. Veurns: an d' achterste tette leggen (=Minder goed bedeeld zijn)
  19. Katwijks: we daizen (=het wordt minder (achter uitgaan))
  20. Munsterbilzen - Minsters: dasse pak van men hat (=één zorg minder)
  21. Mestreechs: väöl, wieneg, mie/mieër, wieniger (=veel, weinig, meer, minder)
  22. Roermonds: sjabbetuuch van de richel (=volk van minder allooi)
  23. Doornspijks: hej hef min nit e maak, en zal min nit jongn ok (=hij boezemt me geen angst in)
  24. Sint-Niklaas: dad ang min keel uit (=dat verveelt mij)
  25. Sint-Niklaas: kust min kloûten (=loop naar de vaantjes)
  26. Menens: gankt vierkante min kloaten ut! (=u bent lastig)
  27. Sint-Niklaas: ei angdon min sleppen (=hij volgt mij overal)
  28. Kalforts: Puurs komt alleen naar Kalfort voor botermelk en pirrewitjes (=Kalfort is te min voor die van Puurs)
  29. Kortrijks: kgao min karre kjèrn (=ik ga terug)
  30. Ouddorps: moe jou min ah (=moet je mij hebben)
  31. Fries: Sa min as strea (=Zo moe als stro)
  32. Sint-Niklaas: min koeketien (=mijn vrouw (= al lachend))
  33. Munsterbilzen - Minsters: daaj ès nie min (=zij is tot veel in staat)
  34. Bilzers: én minder dan ne zûg zoeëpter zich lazerus (=hij dronk zich zat in minder dan geen tijd)
  35. Veurns: van de werke weg klapp'n (=een minder netelig gespreksonderwerp aansnijden)
  36. Giethoorns: A-j zo krek kieken ku-j gien bok olln (=het minder secuur bekijken)
  37. Weerts: det weurtj kaod songer te blaoze (=het wordt vanzelf wel minder)
  38. Hals: Ba de poeters no de mis goen (=Iets minder goed doen)
  39. Giethoorns: wie al te krek kek,kan gien bok ollen (=Het minder secuur bekijken)
  40. Antwerps: amaai, dasoek giëne vette (=dat slaat tegen minder dan verwacht)
  41. Brakels: der ès a op slegter papier geschreevn (=er zijn er minder mooie)
  42. West-Vlaams: tes van lekt min luptje (=Het is lekker)
  43. Opglabbeeks: hè is neet min (=hij is tot zeer veel in staat)
  44. Kortrijks: 'k Goa min skippe ofkuss'n (=Ik ben weg)
  45. Kortrijks: kgao min puste skeurn (=ik ga weg)
  46. Sint-Niklaas: kust nô min voeten (kloûten) (=wel dat is straf!)
  47. Ransts: door is ok een hoeksken af (=iemand die een beetje minder begaafd is)
  48. Sint-Niklaas: ge kundin min zon kijken (=ik heb er geoeg van)
  49. Westerkwartiers: da's 'n pak van mien haart (=dat is een zorg minder)
  50. Westerkwartiers: hij rakt an leger waal (=het gaat hem steeds minder goed)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen