Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` lot`

  1. een lot uit de loterij trekken (=precies de juiste persoon of ding gevonden hebben wat er nodig was)
  2. het lot valt altijd op Jonas (=hij heeft vaak pech)
  3. lot uit de loterij (=onvoorspelbaar)
  4. schot en lot betalen (=zijn burgerplicht naar behoren vervullen)
  5. van lotje getikt zijn (=niet goed bij het verstand zijn)
  6. zijn lot getroost zijn (=zijn lot aanvaarden)

12 betekenissen bevatten ` lot`

  1. ruw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)
  2. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  3. kruis of munt gooien (=ervoor loten)
  4. Het is maar hoe de kaarten vallen (=Het hangt van het lot af)
  5. in iemands vel steken (=het lichamelijke lot van iemand anders ondervinden)
  6. in iemands schoenen staan (=het lot van iemand anders ondergaan)
  7. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  8. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  9. iemand laten barsten (=iemand helemaal niet helpen, aan zijn lot overlaten)
  10. in hetzelfde schuitje varen/zitten (=met dezelfde omstandigheden te maken hebben, hetzelfde lot ondergaan)
  11. wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  12. zijn lot getroost zijn (=zijn lot aanvaarden)

Het dialectenwoordenboek kent 116 spreekwoorden met ` lot`

  1. Westerkwartiers: hij zicht ze vlieg'n (=hij is van lotje getikt)
  2. Bilzers: lottet mér zitte (=ik moet geen geld)
  3. Munsterbilzen - Minsters: de erm lotten hange (=demoedlaten zakken)
  4. Ninoofs: a eet'n't lot'n angen (=hij heeft het verwaarloosd)
  5. Nieuwerkerks: Lotjse mor oepen en toepen (=Laat ze maar doen)
  6. Munsterbilzen - Minsters: én zen eege vèt lotte stoëve (=aan zijn eigen lot overlaten)
  7. Munsterbilzen - Minsters: lottich ziëker nie loempe (=laat je vooral niet beetnemen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: lottem mèr mèt vrieë (=laat hem maar bezig)
  9. Bilzers: de bés nie goed snik; de bés van lotsje getik (=heel gek zijn)
  10. Munsterbilzen - Minsters: zen erm lotten hange (=mismoedig zijn)
  11. Roeselaars: jis van lotje getikt (=die is niet goed wijs)
  12. Bilzers: ver gon spirke trékke (=we zullen erom loten)
  13. Amsterdams: Hij hep een plank foor s'n harses (=Hij is van lotje getikt, Hij is niet goed wijs)
  14. Amsterdams: Hij hep een plaat foor s'n kanus (=Hij is van lotje getikt. Hij is niet goed wijs)
  15. Munsterbilzen - Minsters: lottech zau nie hange (=kop op !)
  16. Moorsel: Lotsj ge de boere mo dessn (=Laat de anderen maar werken)
  17. Bilzers: asset lank hübs, lotset ooch lank hange (=zo gewonnen, zo geronnen)
  18. Bilzers: lottem mèr gewieëne (=laat hem maar op zijn gemak bezig)
  19. Harelbeeks: J'es van 't lotje getikt (=Hij is zot)
  20. Munsterbilzen - Minsters: lotte aofhaole (=abortus plegen)
  21. Munsterbilzen - Minsters: de bès van lotsje getik, menneke ! (=je bent gek, man !)
  22. West-Vlaams: Je zie va lotje getikt (=Je bent gek)
  23. Zichers: lotte gejadde (=laten geworden)
  24. Booms: Em is van lotje getikt (=Hij heeft ze niet alle vijf)
  25. Munsterbilzen - Minsters: de bès van lotsje getik (=je bent niet goed wijs)
  26. Munsterbilzen - Minsters: lottich geen bliëskes wijsmaoke (=laat je niets op de mauw spelden)
  27. Zelzaats: Ge zijt er mee aan 't loteren (=U bent met mijn voeten aan het spelen)
  28. Munsterbilzen - Minsters: ich lottem vraaj en er groemelt nog (=er ontsnapt mij een scheet)
  29. Liedekerks: E lotj 't achterste va ze gat ne zien (=Hij laat niet zien hoe hij is)
  30. Venloos: ich bin toch neet van lotje getikt (=ik ben toch niet gek)
  31. Sint-Niklaas: zoe zot as een mus; va lotje getikt; zoe zot as een achterdeur (=knettergek)
  32. Amsterdams: Loterijman (=Iemand die niets serieus neemt, Met alles een loopje neemt, Een gokker)
  33. Bilzers: op zene kop lotte sjijte; seg lotte bezeeke (=zich laten voor de gek houden)
  34. Lottums: hyjytj (=noordeinde)
  35. Lottums: Snammel (=stukje draad)
  36. Munsterbilzen - Minsters: de kop (erm) lotte hange (boemele) (=de moed verliezen)
  37. Bilzers: de keis van zen sniëje lotte gaole (=niet goed opletten)
  38. Munsterbilzen - Minsters: zen taan lotte zien (=van zich af bijten)
  39. Munsterbilzen - Minsters: lotte gewieëne (=zijn gang laten gaan)
  40. Munsterbilzen - Minsters: zich lotte nije (=zich bijna laten smeken)
  41. Bilzers: zene keis nie lotte pakke (=zich goed verdedigen)
  42. Sint-Niklaas: zidde gè va lotje getikt?; zidde gè op ô kop gevallen? (=gij zijt zot zeker?)
  43. Merenaars: iet alfstiejert lotte liggen (=iets onafgewerkt laten liggen)
  44. Munsterbilzen - Minsters: zene gank lotte gon (=laten doen)
  45. Munsterbilzen - Minsters: zich aut zen tent lotte lokke (=zich laten uitdagen)
  46. Bilzers: lotte poes mér pisse (=après nous le délûge)
  47. Munsterbilzen - Minsters: éne lotte vliege (='n windje laten)
  48. Munsterbilzen - Minsters: ne stiek lotte valle (=een foutje maken)
  49. Munsterbilzen - Minsters: zen lip lotte hange (=een pruilmond trekken)
  50. Bilzers: iemes èn perdêl lotte (=iemand achterlaten)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen