Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


72 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` lat`

  1. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  2. aan het eind van zijn latijn zijn (=uitgeput zijn)
  3. dat is latijn voor mij (=dat begrijp ik niet)
  4. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  5. de hakken laten zien (=zich uit de voeten maken)
  6. de horens laten zien (=zich vijandig tonen)
  7. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  8. de kogel door de kerk laten gaan (=de beslissing nemen)
  9. de lat hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
  10. de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
  11. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  12. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  13. de teugels laten vieren (=een minder streng beleid voeren)
  14. de vijl erover laten gaan (=er de scherpe kantjes van afhalen)
  15. de vogel over het net laten vliegen (=goede kansen niet aangrijpen)
  16. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  17. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  18. Een ei in het nest laten (=Iets op voorraad hebben)
  19. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  20. er een laten vliegen (=een wind laten)
  21. er geen gras over laten groeien (=onmiddellijk profiteren, uitvoeren)
  22. er geen spaan van heel laten (=iets compleet vernielen)
  23. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  24. gods water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  25. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  26. het een eind uit de broek laten hangen (=royaal zijn)
  27. het er niet bij laten zitten (=niet opgeven)
  28. het hoofd laten hangen (=treurig zijn - het opgeven)
  29. het kastje bij het muurtje laten blijven (=de dingen niet gaan overdrijven)
  30. Het kippenei grijpen en het ganzenei laten lopen (=Een verkeerde keuze maken)
  31. het maar in het midden laten (=niet argumenteren)
  32. Het veulen laten draven. (=Gaan plassen)
  33. hoe later op de avond/dag hoe schoner volk (=schertsend gezegd bij het laat binnenkomen van vrienden of familie)
  34. iemand de hielen laten zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
  35. Iemand de vrije teugel laten. (=Iemand zijn eigen gang laten gaan)
  36. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  37. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  38. iemand laten barsten (=iemand helemaal niet helpen, aan zijn lot overlaten)
  39. iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  40. iets blauw blauw laten (=iets maar laten voor wat het is, er niet meer over praten)
  41. iets langs je (koude) kleren af laten glijden (=ergens niets van aan trekken)
  42. iets laten zwemmen (=er geen aandacht meer aan besteden)
  43. iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
  44. iets niet koud laten worden (=ergens onmiddellijk op ingaan)
  45. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  46. iets over z'n kant laten gaan (=zich nergens iets van aantrekken)
  47. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  48. in de lucht laten vliegen (=laten ontploffen)
  49. in zijn hemd laten staan (=voor schut laten staan)
  50. in zijn sop gaar laten koken (=zijn kritiek en protesten negeren)

99 betekenissen bevatten ` lat`

  1. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  2. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  3. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien)
  4. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
  5. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  6. gezelligheid kent geen tijd (=als het gezellig is, is het niet erg als het wat later wordt)
  7. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  8. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  9. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  10. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  11. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  12. in de kerk geboren zijn (=de deur open laten staan)
  13. gods water over gods akker laten lopen (=de dingen op hun beloop laten)
  14. de gelegenheid bij de haren grijpen (=de kans niet laten voorbijgaan)
  15. roet in het eten gooien (=de pret bederven of een plan laten mislukken)
  16. de baars vergallen (=de zaak laten mislukken)
  17. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  18. haast je langzaam (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het latijn: Festina lente))
  19. De bezem uitsteken (=Doen en laten wat men wil als de baas of leidinggevende er niet is)
  20. zich uit de markt prijzen (=door eigen toedoen laten anderen diegene links liggen)
  21. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juist extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)
  22. zichzelf op de borst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
  23. Eet vis, als er vis is. (=Een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  24. iets in petto houden (=een mededeling voor later bewaren)
  25. iemand het voordeel van de twijfel gunnen (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen)
  26. een paar mensen optrommelen (=een paar mensen laten komen)
  27. er een laten vliegen (=een wind laten)
  28. doorgestoken kaart (=er is heel duidelijk iets mis! Hier is getracht om iemand te laten geloven dat er bij toeval iets gebeurt, terwijl het in feite van tevoren gearrangeerd is)
  29. in ere houden (=goed onderhouden, niet laten voorbijgaan)
  30. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  31. de vingers jeuken hem (=het bijna niet kunnen laten er op los te slaan)
  32. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  33. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  34. hij is in Rome geweest, maar heeft de Paus gemist (=hij heeft het belangrijkste laten schieten)
  35. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  36. iemand uit bed lichten (=iemand 's nachts laten opstaan)
  37. De hete aardappel doorspelen (=Iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  38. iemand op het matje roepen (=iemand bij zich laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
  39. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  40. iemand om een boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
  41. iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
  42. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  43. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  44. iemand klein krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankunt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
  45. leven en laten leven (=iemand of iets z'n gang laten gaan en niet mee bemoeien)
  46. iemand een poot uitdraaien (=iemand te veel laten betalen)
  47. iemand het vel over de oren halen (=iemand te veel laten betalen)
  48. iemand villen (=iemand te veel laten betalen / Iemand afpersen)
  49. iemand voor het naadgaren zetten (=iemand voor de schulden laten opdraaien)
  50. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)

Het dialectenwoordenboek kent 219 spreekwoorden met ` lat`

  1. Westerkwartiers: dat wer weer nachtwaark (=dat is weer een latertje geworden)
  2. Veurns: tende ze latien zien (=ten einde raad zijn)
  3. Texels: an het labbere end (=aan het eind van zijn latijn)
  4. Liemers: Dén kaerl is aleneg mor vel aover but. (=Die kerel is zo mager als een lat.)
  5. Steins: zoea mager wie 'n lat / 'ne boeanestek (=erg mager zijn)
  6. Roeselaars: lat je ki goane (=laat je eens gaan)
  7. Genneps: iets an de lat loate schrieve (=op de pof kopen)
  8. Lichtervelds: je lat olles oendr em loîpn (=hij verwaarloost alles)
  9. Harelbeeks: Ie lat ool droai'n die droai (=Hij is ongeïntresseerd)
  10. Roeselaars: stikt er joen latien nie in (=doe geen moeite (om het uit te leggen))
  11. Westfries: aan het labbere end zijn (=aan het eind van je latijn zijn)
  12. Lichtervelds: je lat ze nogol gletsn (=hij geeft veel geld uit)
  13. kortemarks: je lat ze geld nogol gletsn (=hij geeft gemakkelijk geld uit)
  14. Genneps: 't ân de lat laote schrieve (=Op de pof kopen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: das latijn vür mich (=dat versta ik niet)
  16. Lebbeeks: dievel: Zijn'n dievel es doeëd (=Hij is aan het einde van zijn latijn)
  17. Bilzers: Tot strak of dan! (=Tot later!)
  18. Poperings: toet in droai (=tot later)
  19. Giethoorns: Die lat zich veur een dubbeltie een gat in de ribben boren (=Die is heel zuinig)
  20. Waregems: ie es tendend zijn latijn (=hij kan niets meer inbrengen)
  21. Bilzers: ich ben ont einde van me latijn (=ik geef het op !)
  22. Texels: Ik hèèw de feugel over 't net late vliêge (=Ik heb de kans voorbij laten gaan)
  23. West-Vlaams: je lat der gin gras over groein (=je wacht er niet mee)
  24. Munsterbilzen - Minsters: on et einde van ze latijn zin (=alles al uitgeprobeerd hebben)
  25. Lichtervelds: je lat tgès van voî ze voetn moajn (=hij laat gemakkelijk iets afnemen)
  26. Veurns: Die 't breeëd èt, lat et breeëd ang'n (=Wie goed bij kas is , leeft royaal.)
  27. Zichers: lotte gejadde (=laten geworden)
  28. Brugs: goat te kadeele (=laten verloederen)
  29. Eesjdens: De koater kumpt loater. (=De kater komt later.)
  30. Westfries: Dat komt deermee (=Dat komt later wel)
  31. Waregems: tot één d'n droi, to no ne keêr (=tot later)
  32. Antwerps: 'kem eur alle oeke van de slopkamer late zieng (=ik he haar alle hoeken van de kamer laten zien, wilde sex gehad)
  33. Westerkwartiers: ze kenn'n 't niet loat'n (=laten - zij kunnen het niet laten)
  34. Zwevegems: zwevegem is ontstaan met de heer Swaba ergens bij onze oude belgen.... daarbij kwam het huis en gebied van Swaba genaamd: Swabagheim en het latere Sweveghem en nu Zwevegem. (=(opmerking))
  35. Antwerps: verlore late goan (=verspillen)
  36. Evergems: 't Sal nen lembeeksen word'n (=Het zal een late avond worden)
  37. Waregems: ge zij loat' an (=je bent later dan normaal)
  38. Sint-Katelijne-Waver: Strontraper achter den elektieken traan (=Wat ga je later worden .?)
  39. Zunderts: navururen (=na vier uur/later op de dag)
  40. Leefdaals: wroak is ne plât dasse kait üp diene (=wraak komt later wel)
  41. Oudenbosch: da zien we tege dieje tijd wel (=dat zien we later wel)
  42. Oudenbosch: we zulle nut op dun boek schrijve (=de betaling volgt later)
  43. Zwols: kiek die tamme ente ies, as 't oew tamme ente is pak em dan. In de 60-er jaren reed er in Zwolle een lelijk eendje rond met de latijnse tekst: Sidi tamentis, astoe entis pactum (=kijk die tamme eend eens, als het jouw eend is pak hem dan)
  44. Munsterbilzen - Minsters: éne lotte vliege (='n windje laten)
  45. Kortrijks: ne puf loat'n (=een boer laten)
  46. Merenaars: zen skelf valt in (=een boer laten)
  47. Wetters: de komplementen van mijnen eetzak (=een grote boer laten)
  48. Sint-Niklaas: ene loate vliegen (=een wind laten)
  49. Munsterbilzen - Minsters: zen daus oëpe zètte (=een windje laten)
  50. Vejels: iene puitje lappe (=Iemand laten struikelen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen