Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` kunt`

  1. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  2. je kunt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
  3. je kunt nooit weten waar een paling kruipt (=zeg nooit nooit)
  4. je kunt van een kikker geen veren plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
  5. je kunt van mij de pot op (=je doet maar waar je zin in hebt)
  6. Je kunt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  7. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet altijd precies wat je zou willen)
  8. zo stil dat je een speld kunt horen vallen (=bijzonder stil)

20 betekenissen bevatten ` kunt`

  1. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  2. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  3. meten is weten, gissen is missen (=je kunt beter afmetingen meten dan schatten)
  4. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  5. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  6. Het is beter de bakkers te paard, als de dokters. (=Je kunt beter voldoende en gezond eten, dan straks naar de dokter te moeten)
  7. Wie pleit om een paard, behoudt de staart. (=Je kunt beter wat toegeven, dan het tot een duur en langslepende kwestie te laten komen)
  8. nee heb je, ja kun je krijgen (=je kunt het altijd proberen)
  9. er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken)
  10. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  11. de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  12. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet altijd precies wat je zou willen)
  13. Het zijn niet al ridders die sporen dragen (=Je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  14. Een meid en een aardappel kies je zelf (=Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken)
  15. het laatste hemd heeft geen zakken (=je kunt niets meenemen als je dood gaat (laatste hemd = doodshemd))
  16. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  17. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel zien waar hij vandaan komt)
  18. op je tenen lopen (=meer willen presteren dan je aan kunt)
  19. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  20. in de ban zijn van iets (=zo erg in iets geïnteresseerd zijn dat je aandacht alleen nog maar daarop kunt richten)

Het dialectenwoordenboek kent 154 spreekwoorden met ` kunt`

  1. Tilburgs: ut za oew kuntje vaore !! (=het zal je tegenvallen !!)
  2. Gents: ge kunt nogal wurtele (=ge kunt nogal zagen)
  3. Tilburgs: ge kunter oew eige waase en verschòòne (=er is niemand in de kerk)
  4. Nijmeegs: Ammuh hoela (=Je kunt me wat!)
  5. Westerkwartiers: kinst mij wat (=je kunt me wat)
  6. Liwwadders: kest mie wat! (=je kunt me wat!)
  7. Horster: geej kunt meej d´n hak vioéle (=je kunt me de pot op)
  8. Oudenbosch: gij kuntur wir niks aon doen ee ? (=en jij kunt er natuurlijk weer niets aan doen)
  9. Simpelveld: Ut kunt wie ut kunt (=Er is niets aan te doen.)
  10. Betuws: kwijt of net se wijd (=evengoed/ je kunt het proberen)
  11. Tegels: lek mich de zök (=je kunt de pot op)
  12. Weerts: Dich kins mich 'n baerke vange (=Je kunt me wat !)
  13. Roermonds: Lék mich am aarsj (=Je kunt mij de pot op)
  14. Bosch: Proat mar gewòn (=Kunt u dat ook anders zeggen)
  15. tervurens: ja, ja mennekes tiekene en kinnekes kupe (=jij kunt ook alles! (ironisch))
  16. Lokers: un bescheten commisse (=Opdracht waarvan je geen eer kunt halen)
  17. Hendrik-Ido-Ambachts: Je ken 't komme haluh (=U kunt het komen ophalen)
  18. Weerts: gae kuntj baeter kaoj li-jje dan êrmooj (=klagen dat het zo koud is)
  19. Oudenbosch: ge kuntur nou rustig mee vor d n dag komme (=vertel nu maar hoe het zit)
  20. Achterhoeks: a'j plat kunt praotn, mo'j 't neet laoten (=Als je plat kunt praten, moet je het niet laten!)
  21. Twents: Iej könt ginn pap ett'n en poes'n tegelieke (=Je kunt geen twee dingen tegelijk doen)
  22. Tilburgs: traone èn sneevel geeve gin vlèkke. (=je kunt je verdriet ook verdrinken.)
  23. Venloos: Dich kins mich d'n bout hachele (=Je kunt me m'n gat likken)
  24. Westerkwartiers: je moet'n je goav'm niet begroav'm (=je moet doen wat je kunt)
  25. Westerkwartiers: hij is wel goed moar niet gek (=je kunt niet alles van hem vragen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: wae kak hèt, moet zich boeke (=je kunt niet eeuwig blijven uitstellen)
  27. Westerkwartiers: je kenn'n gien iezer met hand'n breel'n (=je kunt sommige zaken niet forceren)
  28. Twents: Wat sas as dös was kaans? (=Wat zou je als je doet wat je kunt?)
  29. Ostêns: ge kunt ze kussen (=kuis mijn kloten)
  30. Waregems: genèrde gij oi 'n beetse ? (=bevalt het u, voelt u zich hier prettig, kunt u zich behelpen?)
  31. Oudenbosch: oe laotte gij de kat bukke? (=denk je dat je hem kunt laten doen wat je van hem verwacht?)
  32. Bildts: 't Is niet an e gevel te sien, wie't 't huus beweunt (=Je kunt iemand niet op zijn buitenkant beoordelen)
  33. kortemarks: tis deurelik, ge kunt er je gazette deure leezn (=het is slappe koffie)
  34. Twents: Ie kunt nen kikker net zo lang ploagen totheeoet de graam kump. (=Je kunt een kikker net zolang plagen tot hij uit de sloot komt.)
  35. Bosch: wah ge in oew kupke hed, hedde nie in oew kuntje (=Een idee hebben en niet kunnen wachten om het ten uitvoer te brengen.)
  36. Zeeuws: je kunt ut kriehen liek ai t en wil ,dikke of dinne of deur n doeksie (=hoe wil je thebben)
  37. Drents: Ie kunt wal ies geliek hebben (=Ik geloof er geen woord van)
  38. Lommels: ge kunt me klowte kussen (=ik heb er genoeg van man, trapt het af man)
  39. Oudenbosch: ge kuntt zien aon z n lope ij loptur naor (=hij heeft iets aan zijn benen)
  40. Drents: Ie kunt zölfs een vis zolang targen dat e tot 't water oetkomp. (=Ieder mens heeft een grens (aan zijn/haar verdraagzaamheid))
  41. Sint-Niklaas: ge kunter ô gazet deur lezen (=als de koffie te slap is zegt men...)
  42. Tilburgs: ge kunt un dikken tokus krijgen gij (=je kunt kapot vallen)
  43. Venrays: gij kunt mij den hak viole (=je kunt me wat)
  44. Boakels: aachterum is 't kermis (=je kunt gerust achterom komen)
  45. Neerharens: de kens mich get (=ge kunt me wat)
  46. Horster: án oow nákse vot / koont (=je kunt me wat!)
  47. Tilburgs: ge kunt um optuutere !! (=je kunt hem opblazen (naar de donder lopen))
  48. Haarlems: je kunt me de bout hachelen, an me toeroe, an me togus, an me reet (=je kunt m'n rug op)
  49. Hamonter: shiet mich (=ge kunt mij de pot op)
  50. Ossendrechts: ge kun me de klote kusse (=je kunt me wat)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen