Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` klei`

  1. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  2. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  3. Bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  4. Bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  5. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  6. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  7. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  8. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  9. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  10. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  11. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  12. Een kleine aardappel moet je niet schillen (=Aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  13. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  14. er is klei aan de kloet/knikker (=er is iets mis)
  15. ergens een kleine jongen bij zijn (=er niet aan kunnen tippen)
  16. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  17. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  18. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  19. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  20. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  21. iemand een kopje kleiner maken (=iemand vermoorden)
  22. iemand klein krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankunt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
  23. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  24. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  25. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)
  26. op een klein pitje zetten (=tijdelijk laten wachten, slechts langzaam laten verdergaan)
  27. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  28. uit de klei getrokken (=boers)
  29. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  30. uit dezelfde klei gebakken zijn (=dezelfde afkomst hebben)
  31. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  32. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  33. voor geen kleintje vervaard zijn (=veel durven)
  34. wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)

47 betekenissen bevatten ` klei`

  1. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  2. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  3. dat is de druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  4. dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen (=dat is wel een heel klein beetje)
  5. een ongeluk zit in een klein hoekje (=door een kleine fout kunnen gemakkelijk erg nare ongelukken gebeuren)
  6. een bitter beetje (=een klein beetje)
  7. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
  8. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een klein inkomen hebben)
  9. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  10. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  11. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  12. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  13. een visje verschalken (=een kleinigheid meepikken)
  14. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kleinigheid opofferen om iets belangrijks terug te krijgen)
  15. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
  16. een druppel op een gloeiende plaat (=een zeer kleine bijdrage aan iets groters)
  17. geen turf hoog zijn (=erg klein zijn, erg teleurgesteld zijn)
  18. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is)
  19. uit de kleine kinderen zijn (=geen kleine kinderen meer hoeven opvoeden)
  20. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  21. het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dicht op elkaar)
  22. hij is een Piet Lut (=hij is kleinzerig)
  23. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  24. de wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  25. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  26. De haring braden om de hom of kuit (=Iets opofferen om een kleinigheid)
  27. en petit comité (=in een klein genootschap, in het geheim)
  28. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  29. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  30. een kinderhand is gauw gevuld (=met een kleinigheid tevreden zijn)
  31. tussen servet en tafellaken zijn (=niet bij de kleintjes maar ook niet bij de groten horen)
  32. twisten om des keizers baard (=om kleinigheden ruzie maken)
  33. alle beetjes helpen (=ook kleine dingen dragen bij aan het grote geheel)
  34. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  35. een haar in de boter vinden/zoeken (=op het kleinste detail vitten)
  36. van de naald tot de draad (=tot in het kleinste detail)
  37. van naald tot draad (=tot in het kleinste detail)
  38. tot in de puntjes (=tot in het kleinste detail)
  39. in het land der blinden is eenoog koning (=tussen dommeriken volstaat een klein beetje verstand om baas te zijn)
  40. met het kleine begint men bij het grote houdt men op (=van de kleine misdaad komt men vanzelf in de grote misdadigheid terecht)
  41. van een mug een olifant maken (=van een klein probleem onnodig een groot probleem maken, erg overdrijven)
  42. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  43. vele kleintjes maken een grote (=veel kleine stukjes leveren uiteindelijk ook een geheel op)
  44. alle vrachtjes helpen (=veel kleintjes maken een grote)
  45. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  46. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  47. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)

Het dialectenwoordenboek kent 174 spreekwoorden met ` klei`

  1. Mestreechs: kleid, kleidsje / rok, rökske (=jurk, jurkje / rok, rokje)
  2. Liemers: Zwaore kleigrond is mehgaonde grond die blief ow aan de klump hange. (=Mee gaande zware kleigrond.)
  3. Drents: Een grote heidedobbe is ontstaon oet een klein wellegie (=Uit iets kleins kan iets groots voort komen)
  4. Sint-Niklaas: kleineren (=iemand vernederen)
  5. Zeeuws: Ier è wah van mun/mien. (=Hier, een kleinigheidje van mij.)
  6. Venloos: Alle bietjes bate, zag de begien en pisde in de zieë (=Ook kleinigheden helpen)
  7. Westerkwartiers: da's gien peuleschil (=dat is geen kleinigheid)
  8. Munsterbilzen - Minsters: das gee klee bier (=dat is geen kleinigheid)
  9. Zemst: Iet veur mene holle tand te vulle (=En kleinigheid eten)
  10. Weerts: d'r kleingêldj van make (=geld verkwisten)
  11. Zunderts: uut d'n klaai getrokke (=klei akkerbouwer)
  12. Tongers: hè és koot veur ën habbëkrats (=hij is kwaad voor een kleinigheid)
  13. Sint-Niklaas: ze vechten om een onnozulleid (=ze vechten om een kleinigheid)
  14. Sint-Niklaas: da klei kind is een schreemuil ( 'nen bleiter) (=dat klein kind schreit bijna de hele dag)
  15. Zeeuws: langs bin'n deu (=alternatieve route (via kleinere wegen))
  16. Ninoofs: de klein'n angnog on de mem (=het kind krijgt nog borstvoeding)
  17. Sint-Niklaas: 't lacht en 't zie nie (=iemand die lacht om een kleinigheid)
  18. Munsterbilzen - Minsters: waaj vër nog joenk worre moeste vër èn de bës on de deense waajers ganse zek foenkelhoot, sjots en denneknüp gon raope (=in onze jeugdjaren moesten we van onze ouders heel wat zakken kleinhout, boomschors en dennenappels gaan rapen)
  19. Booms: In de pitte van Rimst zitte grien vesse (=In de (klei)putten van Rumst zitten groene (kik)vorsen)
  20. Munsterbilzen - Minsters: kender traeë op ze kleed, mér graute op zen hat (=kleine kinderen, klein maar groten groot leed)
  21. Westerkwartiers: 'n klein vlamke, 'n groot vuur (=kleine oorzaak, groot gevolg)
  22. Tilburgs: de klomp öthaole (=cadeaus van sinterklaas ophalen bij familie of kennissen. (meestal voor de kinderen en kleinkinderen))
  23. Lokers: As de kinderen kleinen zijn terten z' op ou tienen, as ze gruêt zijn op ou erte (=Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen)
  24. Westels: rond de kerktoren (=klein rondje)
  25. Tilburgs: hè de gin klèndere (=heb je ze niet kleiner)
  26. Sittards: Klein kènjer traeë dich oppe sjòlk, groote op 't hart (=Kleine kinderen kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen)
  27. Lokers: Gruuete stelen en kleine stelen, moaur de gruuete stelen tmieest (=Groten stelen en kleinen stelen, maar de groten stelen het meest)
  28. Gronings: Lutje boxem schieter (=Klein kind)
  29. Bilzers: ne viërek graut (=klein)
  30. Zeeuws: Piewurm (=Klein mager mannetje)
  31. Overijses: lierke (=kleine ladder)
  32. Zeeuws: t alleve mudje (=klein vrouwtje)
  33. Aalters: klène johns (=Kleine kinderen)
  34. Oudenbosch: gij zij mee zeuve peerde uit de klei getrokke (=wat ben je weer eigenwijs)
  35. Kaatsheuvels: Zè mar zuut klein Helmuske doar komt taante Mieke aon (=Ben maar braaf kleine Herman, daar komt tante Mieke aan.)
  36. Hunsels: 't lèste kleid heet gein tesse (=Je neemt niets mee het graf in)
  37. Kortemarks: tis moar e schorte groît (=het is klein)
  38. Lichtervelds: tis moar e schorte groît (=het is zeer klein)
  39. Kortemarks: tis ol kop en gat (=het is een klein ventje)
  40. Rotterdams: die is warm te hard neer gezet (=klein persoon)
  41. Antwerps: dien ee d'en grondsmokske (=klein van gestalte zijn)
  42. Gronings: ain moal ofschovveld, ain moal ofvroren (=klein gebleven persoon)
  43. Genneps: tís mèr un ert (=klein, nietig zijn)
  44. Brugs: poeptjie boven d' èèrde (=hij is klein van gestalte)
  45. Antwerps: een deurgezoagd reuske (=klein van gestalte)
  46. Staphorsts: een duuzendste merakel (=een heel klein kansje)
  47. Ransts: bakkes gekret (=een klein beetje lekkers)
  48. Budels: \ (=een klein gezet iemand)
  49. Munsterbilzen - Minsters: n vaus hugger danne verke (=klein van stuk)
  50. Zeeuws: tis vent of hie-en (=klein ventje)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen