Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


83 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` in het`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  2. als een pareltje in het goud zitten (=zich tussen aangename personen (buren) bevinden)
  3. als een spin in het web (=de persoon of organisatie waar alles om draait)
  4. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  5. de boel in het honderd sturen (=in de war maken/verstoren)
  6. de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)
  7. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  8. de kop in het zand steken (=doen alsof er geen gevaar dreigt en er niets aan doen)
  9. de lont in het kruit steken/werpen (=een uitbarsting veroorzaken)
  10. de lont in het kruit werpen (=mensen laten loskomen, opstoken)
  11. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  12. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  13. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  14. een doorn in het oog zijn (=ergens aan ergeren)
  15. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  16. Een ei in het nest laten (=Iets op voorraad hebben)
  17. Een gat in het dak krijgen (=Niet erg slim zijn)
  18. een ijzer in het vuur hebben (=een plan hebben dat nog onbekend is voor de buitenwereld)
  19. een kat in het donker/nauw maakt rare sprongen (=in een benarde situatie doet men vreemde dingen)
  20. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  21. een knuppel in het honderd gooien (=kritiek geven zonder namen te noemen)
  22. een loodje in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren)
  23. een nul in het cijfer zijn (=niets in te brengen hebben)
  24. een oog in het zeil houden (=in de gaten houden)
  25. een oogje in het zeil houden (=iets in de gaten houden)
  26. Een oogje in het zeil houden (=Alert zijn)
  27. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  28. een reef in het zeil doen (=besnoeien in de uitgaven, bezuinigen)
  29. een snee in het oor hebben (=dronken zijn)
  30. een spaak in het wiel steken (=door iemands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
  31. Een stok in het wiel steken (=Iets of iemand tegenwerken)
  32. er is maar een f in het abc (=het juiste midden vinden, is moeilijk)
  33. er is meer dan de molen in het woud omgegaan (=er is iets bijzonders gebeurd)
  34. er verdrinken er meer in het glas dan in de zee (=er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol)
  35. ergens de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
  36. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  37. Geld in het water gooien (=Geld verspillen)
  38. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  39. Het is gezond om in het vuur te pissen (=Het is goed om hevigheid te kalmeren)
  40. het maar in het midden laten (=niet argumenteren)
  41. hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit)
  42. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  43. iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
  44. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  45. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken, iemand aan het werk zetten)
  46. iemand in het naadgaren komen (=iemand erg hinderen)
  47. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  48. iemand in het zadel helpen (=iemand aan een (goede) functie/positie helpen)
  49. iemand in het zeer tasten (=bij iemand de gevoelige plek raken)
  50. iemand in het zonnetje zetten (=iemand op positieve wijze aandacht geven, iemand eer bewijzen)

31 betekenissen bevatten ` in het`

  1. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  2. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  3. het beste paard van stal (=de belangrijkste persoon in het gezelschap)
  4. een hoofd als een boei krijgen (=een erg rode kleur krijgen in het gezicht, erg blozen)
  5. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  6. een vreemde eend in de bijt (=een vreemd exemplaar in de groep. (Een bijt is een opening in het ijs))
  7. er schuilt een addertje onder het gras (=er is een verborgen risico in het spel)
  8. geld maakt niet gelukkig (=er is meer in het leven dan rijkdom)
  9. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  10. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  11. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  12. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  13. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  14. iemand iets onder de roos vertellen (=iemand in het geheim iets meedelen)
  15. in de slappe was (=in de contanten, in het geld)
  16. en petit comité (=in een klein genootschap, in het geheim)
  17. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  18. kleine vossen bederven de wijngaard (=kleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel)
  19. de dans ontspringen (=niet in het onheil betrokken worden)
  20. zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)
  21. van de naald tot de draad (=tot in het kleinste detail)
  22. van naald tot draad (=tot in het kleinste detail)
  23. tot in de puntjes (=tot in het kleinste detail)
  24. ad infinitum (=tot in het oneindige)
  25. ad calendas graecas (=tot in het oneindige uitstellen)
  26. het is hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere belanden)
  27. hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere vallen)
  28. de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  29. ongelukkig in het spel gelukkig in de liefde (=wie tegenslag heeft in het spel heeft misschien wel geluk in de liefde)
  30. iemands doopceel lichten (=zeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft)
  31. iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)

Het dialectenwoordenboek kent 3677 spreekwoorden met ` in het`

  1. Gils: ge mot er zelf aachterkommen (=je moet hetzelf ontdekken)
  2. Drents: Ien over 't mat kommen (=Iemand op heterdaad betrappen)
  3. Overijses: in tets komme (=op heterdaad betrapt)
  4. Texels: best gaan (=het gaat goed)
  5. Harelbeeks: Ie n'es ginne klets in zyn oanzichte weir (=hetis een nietswaardig persoon)
  6. Sint-Niklaas: 't is ont vurreten (=het is heter aan het worden)
  7. Budels: iemud op de nèst vangen (=iemand op heterdaad betrappen)
  8. Munsterbilzen - Minsters: attrapieëre (=op heterdaad betrappen)
  9. Munsterbilzen - Minsters: opt nès gevange (=op heterdaad betrapt)
  10. Veurns: op ze nest epakt zien (=op heterdaad betrapt zijn)
  11. betuws: krek ut ègustu (=precies hetzelfde)
  12. Munsterbilzen - Minsters: oppet nès vange (=op heterdaad betrappen)
  13. Waregems: gesleeën deur d'hitte/ overdoan van 't woarm were (=aangeslagen door het hete weer)
  14. Lopiks: Ik hetter bar wainig zin in joh (=Ik heb er niet echt veel zin in)
  15. Westerkwartiers: dat wichtje hetr snöt ien 'e kop (=dat meisje is pienter)
  16. Antwerps: hetscheufke geve (=iemand niet binnen laten)
  17. Vilvoords: tes waal vanda (=het is altijd hetzelfde)
  18. Oudenbosch: en zo gaogut ok mee (=hetzelfde is het geval met)
  19. Munsterbilzen - Minsters: minslief, laef vendaog (=heb in 't leven eerder spijt van hetgeen je NIET gedaan hebt)
  20. West-vlaams: de hetten an en (=aangeschoten zijn)
  21. Geels: hij heter zijne keis bij in geschoten (=iemand die gestorven is)
  22. Lauws: ge zi gie zekerst zot! (=Ik ben van mening dat hetgene u vertelt nonsens is.)
  23. Weerts: Gae hetj 'ne kop of dej-je de hel geblaoze hetj (=Iemand met een bezweet hoofd)
  24. Bilzers: ich hüb se laeve vër heter viere geston (=het kon nog erger zijn)
  25. Eindhovens: De hettie zelluf gezeed gehad (=Dat heeft hij zelf gezegd)
  26. Texels: De ruûf hangt deer hóóg (=Ze zijn daar arm, het is daar armoedig)
  27. Tilburgs: eush (=hetgeen u mij nu verteld verbaast mij ten zeerste)
  28. Oudenbosch: gij verbraant daore op oew ziel (=je branden aan heter dan gloeiendheet)
  29. Tilburgs: swirskaante inder (=aan beide zijden hetzelfde)
  30. Munsterbilzen - Minsters: das ene pot naot (=werkt onder hetzelfde hoedje)
  31. Ossies: hij zit te kijke es 'n hiete gelt die in 't stroi zêkt (=hij zit te kijken als een hete gelt die in het stro plast)
  32. Munsterbilzen - Minsters: ich hüb al vër heter viere geston (=ik heb al erger meegemaakt)
  33. Westerkwartiers: 't is van 't zulfde loak'n 'n pak (=het komt op hetzelfde neer)
  34. Westerkwartiers: hij is uut 't zulfde holt sneed'n (=hij is van hetzelfde soort)
  35. Aalsters: vansgeloiken (=voor jou hetzelfde)
  36. Weerts: gae hetj nog te völ haor op eure kop um mei-j te kalle (=iemand met geen ervaring)
  37. Munsterbilzen - Minsters: nen aop it geen niëtsjes aster benane te krijge zin (=je houdt je aan hetgeen je goed kent)
  38. Westerkwartiers: d'r is doar weineg varioatie (=het is daar altijd hetzelfde)
  39. Kastels: Me Sint-Jan zoe hiët ast kan , en me Sinte-Peter ist nôg hiêter . (=Met Sint-Jan zo heet als het kan , en met Sint-Peter is het nog heter.)
  40. Tilburgs: krèk haorinder utzèllefde (=precies hetzelfde)
  41. Aalsters: ge hetj licht op (=je hebt een snottebel aan je neus hangen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: hae kos zen haan wol ès verbranne (=de mijnwerker haalde de hete kolen uit het vuur)
  43. Weerts: gae mótj uch wieëte te behelpe in eur êrremooj, ânges zeejje neet waert dejje ze hetj (=tevreden zijn met wat je hebt)
  44. Munsterbilzen - Minsters: tkümp ammel oppet zelfste daol (=het gaat om hetzelfde)
  45. Gronings: t is ain mouders goud (=het is allemaal hetzelfde)
  46. Munsterbilzen - Minsters: op hete koeële zitte (=gehaast zijn)
  47. Munsterbilzen - Minsters: hete koeële zitte (=ongeduldig zijn)
  48. Riemsts: hete sjup! (=Wat een begeerlijke Vrouw)
  49. Sint-Niklaas: op hete kolen zitten (=zeer ongeduldig zijn)
  50. Bilzers: das zjus prêl (=dat is precies hetzelfde)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen