Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


51 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` houden`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  2. aan de draai houden (=bezig houden)
  3. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  4. de hand op de knip houden (=zuinig zijn)
  5. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  6. de noppen van de kleren houden (=onkosten met zich meebrengen)
  7. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  8. een laag profiel houden (=zich niet laten opmerken)
  9. een oog in het zeil houden (=in de gaten houden)
  10. een oogje in het zeil houden (=iets in de gaten houden)
  11. Een oogje in het zeil houden (=Alert zijn)
  12. een slag om de arm houden (=niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn)
  13. er is geen huis met hem te houden (=hij is niet tevreden te stellen, je kan er geen land mee bezeilen)
  14. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  15. geen maat weten te houden (=onbeheerst doorgaan waarmee men begonnen is)
  16. het been stijf houden (=niet toegeven)
  17. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  18. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zich niet door de spanning laten meeslepen)
  19. het huisje bij het schuurtje houden/laten (=geen onnodige uitgaven doen)
  20. het zal erom houden (=het zal op het nippertje zijn)
  21. iemand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  22. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  23. iemand kort houden (=iemand niet veel bewegingsvrijheid geven (fig.))
  24. iemand onder de duim houden (=iemand in je macht hebben, iemand de baas zijn)
  25. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  26. iets in petto houden (=een mededeling voor later bewaren)
  27. in echec houden (=in bedwang houden)
  28. in ere houden (=goed onderhouden, niet laten voorbijgaan)
  29. in het oog houden (=binnen het gezichtsveld houden)
  30. je kop erbij houden (=blijven opletten, aandacht vasthouden)
  31. je kop houden (=stil zijn, niet praten)
  32. kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  33. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  34. op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
  35. op tui houden (=aan het lijntje houden)
  36. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  37. strak houden (=streng opvolgen - weinig toelaten)
  38. troeven achter de hand houden (=iets voordeligs achterhouden, informatie achterhouden)
  39. voeling houden met (=contact houden met)
  40. voet bij stuk houden (=niet toegeven, bij de eigen ideeën blijven)
  41. voor ogen houden/staan (=er steeds rekening mee blijven houden)
  42. woord houden (=doen wat iemand beloofd heeft)
  43. zich aan zijn man houden (=van iemand voldoening eisen)
  44. zich katoen houden (=zich rustig houden)
  45. zich Oost-Indisch doof houden (=absoluut niet willen horen)
  46. zich op de vlakte houden (=zich niet te veel met de zaak bemoeien, geen duidelijk oordeel geven)
  47. zich op een afstand houden (=zich niet te veel met de zaak bemoeien)
  48. zich van de domme houden (=doen alsof men van niets weet)
  49. zich van de hals houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)
  50. zich van het lijf houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)

51 betekenissen bevatten ` houden`

  1. De kap aan de haag hangen (=1: Een beroep beëindigen. 2: Het voor gezien houden)
  2. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  3. op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
  4. op tui houden (=aan het lijntje houden)
  5. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  6. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  7. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  8. een man een man, een woord een woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  9. aan de draai houden (=bezig houden)
  10. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  11. in het oog houden (=binnen het gezichtsveld houden)
  12. voeling houden met (=contact houden met)
  13. Dat groeit uit het raam (=Dat kan men niet geheim houden)
  14. de gestage drup holt de steen (uit) (=door vol te houden wordt uiteindelijk wel het doel bereikt)
  15. door het lint gaan (=door woede je emoties niet (meer) onder controle kunnen houden)
  16. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  17. aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
  18. een achterdeurtje openhouden (=een redmiddel in nood houden)
  19. Elkaar bij de neus nemen (=Elkaar voor de gek houden)
  20. voor ogen houden/staan (=er steeds rekening mee blijven houden)
  21. liefhebben als de appel van zijn oog (=erg veel van iemand houden)
  22. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  23. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  24. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  25. iemand van Pontius naar Pilatus sturen (=iemand aan het lijntje houden, altijd ergens anders naartoe sturen)
  26. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  27. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
  28. met iemand spelen als de kat met de muis (=iemand voor de gek houden)
  29. iemand in de maling nemen (=iemand voor de gek houden)
  30. met iemand zijn voeten spelen (=iemand voor de gek houden)
  31. iemand bij de neus nemen (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen)
  32. een oogje in het zeil houden (=iets in de gaten houden)
  33. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  34. doe wel naar mijn woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  35. in echec houden (=in bedwang houden)
  36. een oog in het zeil houden (=in de gaten houden)
  37. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  38. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  39. Het oog van de meester maakt het paard vet. (=Je moet als baas zelf toezicht houden, want anders wordt je bedrijf verwaarloosd)
  40. Iets door het oog van de schaar halen (=Materiaal van op het werk voor jezelf houden / Jezelf oneerlijk zaken toe-eigenen)
  41. Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=Mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  42. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  43. over het hoofd groeien (=niet meer onder controle te houden)
  44. iemand geen strobreed in de weg leggen (=niets doen om iemand tegen te houden of te belemmeren)
  45. zeggen wat je doet en doen wat je zegt (=proactief communiceren en je houden aan toezeggingen)
  46. uit de band springen (=uitbundig plezier maken, zonder rekening te houden met de regels van orde en fatsoen)
  47. onder en boven de wet zijn (=zich niet aan de regels hoeven te houden)
  48. of men geen tien kan tellen (=zich onnozel houdend)
  49. roomser dan de paus zijn (=zich overdreven precies aan de regels houden)
  50. zich katoen houden (=zich rustig houden)

Het dialectenwoordenboek kent 138 spreekwoorden met ` houden`

  1. Zeeuws: ie hi nog liever van zn heloof of voe atn za toeheven (=vast houdend)
  2. Sint-Niklaas: iets aan (=iets houden)
  3. Gents: in stand èwe (=in stand houden)
  4. Zeeuws: t uusje bi de schuure ouwen (=bij elkaar houden)
  5. Heerlens: koesj, zich gedoeks houwe (=koest houden, verstopt zijn)
  6. Bilzers: iemed termét zjoeggele (=iemand voor de gek houden)
  7. Westerkwartiers: één onner de duum hold'n (=iemand in bedwang houden)
  8. Westerkwartiers: hebb'n en holl'n (=hebben en houden)
  9. Walshoutems: in de mot haave (=In het oog houden)
  10. Munsterbilzen - Minsters: èn de mot haage (=in het oog houden)
  11. Geels: in doeweg haawe (=in de gaten houden)
  12. Liwwadders: hou dien hasses (=je moet je mond houden)
  13. Culemborgs: onder de pet hieve (=onder de pet houden)
  14. Arnhems: Wùh houwèh ketak (=We houden contact)
  15. Mestreechs: de poet stief hawwe (=voet bij stuk houden)
  16. Munsterbilzen - Minsters: foetse (=voor de gek houden)
  17. Twents: zich an de kookaante hoalen (=zich afzijdig houden)
  18. Munsterbilzen - Minsters: zich van den doeme haage (=zich afzijdige houden)
  19. Tilburgs: zunnen bèbbel haawe (=zijn mond houden)
  20. Aarschots: klikke en klakke (=hebben en houden)
  21. Zeeuws: 't Is nie an te verlêêsten (=het is niet bij te houden.)
  22. Ninoofs: met gieël zannen batteklank (=met al zijn hebben en houden)
  23. Westerkwartiers: met zien heule pakkelarrie (=met z'n hele hebben en houden)
  24. Hals: eemand ne poeter skillere (=iemand voor de gek houden)
  25. Moes: ou van peikeren geboaren (=zich van de domme houden)
  26. Klemskerks: zwarte school' (h)oedn: in gezelschap vuilbekken, vunzige praat vertellen. Ook vuilemuilen. (=zwarte school houden)
  27. Munsterbilzen - Minsters: iemed èn de koets zètte (=iemand voor 't lapje houden)
  28. Munsterbilzen - Minsters: belofte mok sjuld en dae ze nie hult kraajg nen dikke bult (=beloften worden gemaakt om te houden)
  29. Bilzers: met zen klikke en klakke bautezwiere (=met hebben en houden aan de deur zetten)
  30. Overijses: me zen klikke en klakke everants indraitse (=met zijn hebben en houden ergens invallen)
  31. Munsterbilzen - Minsters: iemed én de boeëveste sjaaf hëbbe ligge (=heel veel van iemand houden)
  32. Antwerps: Mé iel A:ntwa:rpe mo ni mé moa (=Je gaat mij niet voor de gek houden.)
  33. Waregems: ze zoen 'n vore rijen mee ui (=ze zouden je voor de zot houden)
  34. Bilzers: tés nogalés slim dich ver den doemme te haate (=Zich voor dom houden is soms slim)
  35. Munsterbilzen - Minsters: ze kappetaol besjerme (=zijn handen ter bescherming voor zijn ding houden)
  36. Zeeuws: zou jut owe ajut e kregen ode (=zou je het houden als je het gekregen had)
  37. tervurens: oon de waggel aave (=bezig houden of op de lange baan schuiven)
  38. Steins: emes biej de puët höbbe (=Iemand voor de gek houden)
  39. West-Vlaams: zwarte schole oen (zwarte school houden) (=schunnige moppen tappen)
  40. Harlingers: must dien vreet houwe, sik die in de sûderhaven dondere (=je moet je stil houden, zal ik je in de zuiderhaven gooien)
  41. Alblasserdams: kijk uut vor dn bullebak of moeneker die je dr in wil trekke (=waarschuwing om kinderen bij de sloot vandaan te houden)
  42. Steins: Dae is neet zoea stòm es wie der oet zuut!! (=Die laat zich niet voor de gek houden!!)
  43. Sinttruins: gèn zien (=houden van)
  44. Haarlems: Wil jij je daar even van af houden (=wil jij daar met je handen van afblijven ?)
  45. Twents: He wil poezen, mer 't mel in de moond holn. (=Hij wil blazen, maar het meel in de mond houden (dus twee dingen tegelijk doen, wat niet kan).)
  46. Antwerps: gemeuttemmemme (=je mag hem houden)
  47. Munsterbilzen - Minsters: den draok staeke (=de gek houden)
  48. Munsterbilzen - Minsters: t vieër werm haate (=de liefde brandend houden)
  49. Mestreechs: de poet stief hawwe (=de poot stijf houden)
  50. Sinttruins: in de riedzje haan (=onder controle houden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen