Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` horen`

  1. dat heb ik nog nooit op een klomp horen spelen (=dat is al te gek)
  2. dat horen en zien je vergaat (=erg luid)
  3. de horens laten zien (=zich vijandig tonen)
  4. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  5. de koe bij de horens vatten (=met de lastige zaak beginnen)
  6. er een muisje van hebben horen piepen (=er iets van gehoord hebben)
  7. het gras kunnen horen groeien (=erg verwaand zijn - ook gezegd als het ergens muisstil is)
  8. het in Keulen horen donderen (=met stomheid geslagen zijn)
  9. iemand koeien met gouden horens beloven (=iets moois beloven maar niet nakomen)
  10. iemands geluid niet horen (=niet naar iemand willen luisteren)
  11. koeien met gouden horens beloven (=het onmogelijke beloven)
  12. oude bokken hebben stijve horens (=oude mensen hebben vaak vaste gewoontes die maar moeilijk kunnen veranderen)
  13. wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
  14. zo stil dat je een speld kunt horen vallen (=bijzonder stil)

13 betekenissen bevatten ` horen`

  1. zich Oost-Indisch doof houden (=absoluut niet willen horen)
  2. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  3. het ene oor in, het andere weer uit (=het wel horen en meteen weer vergeten)
  4. aan een oor doof zijn (=iets niet willen horen)
  5. tussen servet en tafellaken zijn (=niet bij de kleintjes maar ook niet bij de groten horen)
  6. geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
  7. taal noch teken van iemand vernemen (=niets van iemand horen/zien)
  8. met de noorderzon vertrekken (=onaangekondigd vertrekken en niets meer van zich laten horen)
  9. met iemands woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  10. voor dovemans oren spreken (=spreken tegen personen die niet willen horen)
  11. te veel pannen op het dak (=te veel die het kunnen horen)
  12. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  13. wie luistert aan de wand verneemt zijn eigen schand (=wie anderen afluistert, kan wel eens iets negatiefs over zichzelf horen)

Het dialectenwoordenboek kent 37 spreekwoorden met ` horen`

  1. Weerts: eemes de oeëre van de kop aaf zeivere (=iemand horendol maken door te veel te praten)
  2. Gents: ij eed eur uuren uile (=hij heeft haar horen huilen)
  3. Westerkwartiers: hij gaaf toal noch teek'n (=hij liet niets van zich horen)
  4. Giethoorns: As ik liege, dan lieg ik in commissie (=Van anderen horen zeggen)
  5. Heezers: er is te veull dak op ut huis (=dit mag niet iedereen niet horen)
  6. Avelgems: d' Endeklokke luit (=Er is iemand gestorven (te horen aan de klok op de kerk))
  7. Venloos: ik gaef dich 'ne stuiver asse de moul hilst (=gezang dat niet om aan te horen is)
  8. Fries: Moast dy de bek ticht hâlde jong (=Stil nu, anders horen ze ons)
  9. Munsterbilzen - Minsters: èn akse sjiete (=de koe met de horens vatten)
  10. Arendonks: kwor der horendol af (=ik wordt er gek van)
  11. Brees: Viëf oor heb ik ut kink van de buüre huüre meêke (=Vijf uur heb ik het kind van de buren horen wenen)
  12. Brakels: mij nie uuren zèn (=ga je mij niet horen vertellen)
  13. Utrechts: pijn imme hoof (=horen, ik wil er niets van)
  14. Munsterbilzen - Minsters: hae streepde zen mauwe op (=de boer nam de koe bij de horens)
  15. Olens: Doar kraag ek nei de webbes van sé (=Daar krijg ik nu horens van)
  16. Weerts: aan de lèste mem hânge (=er niet bij horen)
  17. Bilzers: Waajen koe noëne traajn kieke (=Het horen donderen in Keulen)
  18. Veurns: kleeëne potjes èn grooët’ ooër’n (=kinderen horen alles)
  19. Steins: huër ich dich hooste (=zo moet ik het horen)
  20. Hulsters (NL): iet maor alf en alf beghrijpen, horen etc. (=iets niet te best begrijpen, horen etc.)
  21. Munsterbilzen - Minsters: zene nauwsjierege bestoje (=alles moeten zien en horen)
  22. Giethoorns: As ik liege dan lieg ik in commissie (=Van meerderen horen zeggen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: hae steeter wir mèt zen snedder bij (=hij moet ook alles horen wat er gezegd wordt)
  24. Westerkwartiers: hest wel heurd (=horen - heb je wel gehoord)
  25. Arnhems: Mojje luistere (=Moet u eens horen)
  26. Hals: stopsels in a uuren emme (=niet goed horen)
  27. Avelgems: d' Endeklokke luit (=Er is iemand gstorven (te horen aan de klok op de kerk))
  28. Evergems: tes stille oast nie woit (=het is stil als er niets te horen is)
  29. Twents: muj de beest heurn toeten in de weer (=moet je de koeien horen loeien in de wei.)
  30. Achterhoeks: Hi-j hef de melk heuren klotsen, maor wet neet waor 't titje hunk. (=Hij heeft de klok horen luiden, maar weet niet niet waar de klepel hangt.)
  31. Steins: Noe huër ich dich, dat is angere kal! (=Zo moet ik het horen!)
  32. Volendams: ij geuft gien drait (=hij laat niets van zich horen)
  33. Munsterbilzen - Minsters: autbemmele (=vertellen aan ieder die het wil horen)
  34. Twents: Van heurn zeggen komt völle löggens (=van horen zeggen komen vele leugens)
  35. Munsterbilzen - Minsters: ich hüb ter get van geheird, mèr ich wiët nie zjus bau et iëver geet (=de klok horen slaan maar niet weten waar de klepel hangt)
  36. Heerlens: de milk huëre kloetsje, mèh nit weete woe 't deame hink (=de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt)
  37. Steins: dao vrit geinen hòntj broead van (=wordt gezegd over de scheldwoorden die iemand te horen krijgt.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen