Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


62 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` hoofd`

  1. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  2. Boter op je hoofd smeren en droog brood eten. (=In de war zijn.)
  3. boven het hoofd groeien (=onoverkomelijk worden)
  4. boven het hoofd hangen (=te wachten staan)
  5. de hoofden bij elkaar steken (=overleg plegen)
  6. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  7. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  8. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  9. die het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  10. een dak boven zijn hoofd hebben (=woonruimte hebben, onderdak hebben)
  11. een garnaal heeft ook een hoofd (=schertsend gezegd van een kind dat koppig aan zijn mening vasthoudt)
  12. een hard hoofd in iets hebben (=er geen oplossing in zien)
  13. een hoofd als een boei krijgen (=een erg rode kleur krijgen in het gezicht, erg blozen)
  14. een leventje als een luis op een zeer hoofd (=een heerlijk leventje)
  15. een plaat voor je hoofd hebben (=kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving)
  16. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in zien)
  17. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  18. het hoofd bieden (=weerstand bieden)
  19. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  20. het hoofd buigen (=opgeven - toegeven)
  21. het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in berusten)
  22. het hoofd koel houden (=kalm blijven, zich niet door de spanning laten meeslepen)
  23. het hoofd kwijt (=niet meer weten wat te doen)
  24. het hoofd laten hangen (=treurig zijn - het opgeven)
  25. het hoofd loopt me om (=niet meer weten wat te doen (bv bij drukte))
  26. het hoofd opsteken (=zich weer doen opmerken)
  27. het hoofd stoten (=ergens onprettig tegen aan lopen)
  28. het hoofd verliezen (=niet meer weten wat te doen)
  29. het zijn twee hoofden onder een kaproen (=ze verstaan elkaar volkomen , ze werken samen)
  30. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)
  31. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  32. iemand de oren van het hoofd eten (=bij iemand erg veel eten)
  33. Iemand de oren van het hoofd eten. (=Zeer veel eten.)
  34. iemand het net over het hoofd halen (=iemand tegen wil en dank tot iets doen besluiten)
  35. iemand of iets het hoofd bieden (=zich met verstand en beleid verzetten tegen iemand of iets, iemand weerstaan)
  36. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
  37. iemand van het hoofd tot de voeten meten (=iemand heel nauwkeurig onderzoeken)
  38. iemand voor het hoofd stoten (=iemand beledigen of kwetsen)
  39. iets over het hoofd zien (=iets vergeten of ontbreken)
  40. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  41. kolen op iemands hoofd stapelen (=iets goed doen voor een onvriendelijke persoon)
  42. met het hoofd tegen de muur lopen (=het onmogelijke trachten te bereiken / mislopen)
  43. Met het hoofd tegen de muur lopen (=Het onmogelijke proberen)
  44. met zijn hoofd in de wolken (=zo gelukkig, blij zijn dat je niet goed oplet)
  45. mijn hoofd staat er niet naar (=ik kan me er niet op concentreren)
  46. muizenissen in het hoofd (=zorgen)
  47. naar het hoofd gooien/slingeren (=scherpe verwijten maken)
  48. niet goed bij zijn hoofd zijn (=niet goed wijs zijn, gekke dingen doen)
  49. niet wel bij het hoofd (=gek)
  50. over het hoofd groeien (=niet meer onder controle te houden)

4 betekenissen bevatten ` hoofd`

  1. Het beste paard van stal vergeten. (=Een belangrijk persoon over het hoofd zien)
  2. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  3. in grove lijnen (=met vooral aandacht voor de hoofdzaken)
  4. voor zijn raap schieten (=voor het hoofd schieten)

Het dialectenwoordenboek kent 104 spreekwoorden met ` hoofd`

  1. Tilburgs: Môate gij zult (=Wilt u een plakje hoofdkaas)
  2. Hoofddorps: Ik hab effe hönger (=Ik heb trek)
  3. Walshoutems: allel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale (=Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halen)
  4. Mechels (BE): kop in kas (=hoofd intrekken)
  5. Flakkees: 'n kop as un slegge (=Een heel groot hoofd)
  6. Venloos: Eine bläöker kriege (=Een rood hoofd krijgen)
  7. Geels: over aa kopke rösse (=over je hoofd aaien)
  8. Twents: oet de blote kop (=uit het blote hoofd)
  9. Bilzers: vür de kop gelope (=voor het hoofd gestoten)
  10. Weerts: unne roeëje kiebus (=een rood hoofd)
  11. Zeeuws: dienk an juh nót (=denk aan je hoofd)
  12. Sallands: de moane schient (=hij heeft een kaal hoofd)
  13. Mestreechs: un öts oplaope (=je hoofd stoten)
  14. Oudenbosch: 'keb m'narses gestote (=ik heb mijn hoofd gestoten)
  15. Bilzers: effe gerok én zen boëvekaomer (=in zijn hoofd geraakt zijn)
  16. Gronings: klets/bats veur d' hassens (=klap voor het hoofd)
  17. Brabants: Pietjes op oew tebbes (=Vlooien op je hoofd)
  18. Westlands: knal voor je harses (=klap voor je hoofd)
  19. Munsterbilzen - Minsters: iemed blemieëre (=iemand tegen het hoofd stoten)
  20. Rotterdams: Je harsens stoten (=Je hoofd stoten)
  21. Vechtdals: vinn'n an 'n kop (=puisten op het hoofd)
  22. Vrasens: ne tettekop (=iemand met een groot hoofd)
  23. Kortrijks: ip u wofd of bille of timber (=op uw hoofd)
  24. Liedekerks: E eit nen tjester gelek as een betrauf (=Hij heeft een dik hoofd)
  25. Teralfene: E kan achter e moesjken patatten guin (=Hij heeft een dik hoofd)
  26. Genneps: Enne kop as enne tuujhaamer (=Een dik, rood hoofd hebben)
  27. Amsterdams: Drijver op je pruik (=Een klap op je hoofd)
  28. Hulshouts: e' radaas teje z'n snep (=Een slag tegen het hoofd)
  29. Sevenums: Do bis krank in de kop! (=Jij bent ziek in je hoofd!)
  30. Sittards: Get ram van boete kènne (=Iets uit het hoofd kennen)
  31. Sittards: neit goud sjang zeen (=niet goed bij zijn hoofd zijn)
  32. Munsterbilzen - Minsters: daaj ès nie heil kommilfoo (=zij is wat geraakt in haar hoofd)
  33. Twents: a kop in't kusse kop in't stro. Tot morn vroo (=Het hoofd in het kussen het hoofd in de stro tot morgen mijn vriend)
  34. Tegels: Dae is door de ratte besjnuffelt (=Die is niet goed bij zijn hoofd)
  35. Westerkwartiers: hij het 'n kop as 'n bol (=hij heeft een vuurrood hoofd)
  36. Arnhems: Mojjé (=Moet je een klap voor je hoofd?)
  37. Bilzers: on de kop van (de) toffel (=aan het hoofd van de tafel)
  38. Ledegems, Kappels: een toppeire geven (=een klap op het hoofd geven)
  39. Antwerps: Een peer oep oewen appel (=Een slag op het hoofd krijgen)
  40. Sinttruins: dee hei ne kop gelek ne ballong (=een dik hoofd hebben)
  41. deinzes: j'es hiel zot d'ndien'n (=hij is niet goed bij zijn hoofd)
  42. Graauws: zo zot as ne juin (=niet goed bij je hoofd zijn)
  43. Munsterbilzen - Minsters: ram van baute leire (=helemaal uit 't hoofd leren)
  44. Waregems: 't zit 'n vijze loos (=er mankeert iets in het hoofd)
  45. Nuths: De heid reuberzoad in der kop. (=Die heeft stroo in zijn hoofd)
  46. Drents: haar op nummer leggen (=haren kammen op kalend hoofd)
  47. Susters: eemes de pis lauw maake (=iemand aan zijn hoofd zeuren)
  48. Gelaens (Geleens): Get ram van boete kènne. (=Iets uit het hoofd leren.)
  49. Giethoorns: De loop weer overende (=Wees optimistisch, het hoofd omhoog)
  50. Sallands: he-j ze all'maole wel op 'n reechie (=ben je wel goed bij je hoofd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen