Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


37 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` hij`

  1. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  2. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  3. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  4. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  5. april doet wat hij wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
  6. dat kan hij in zijn zak steken (=dat is raak - die zit!)
  7. de druiven zijn zuur (zei de vos maar hij kon er niet bij) (=van iets dat men niet krijgen kan, zeggen dat men het niet wil)
  8. de huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is (=je moet niet al willen genieten van wat men nog niet verworven heeft)
  9. de zeilen hijsen (=opstaan, vertrekken)
  10. die staat ziet toe dat hij niet valle (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  11. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  12. Elk zijn meug, zei de boer en hij at paardenkeutels in plaats van vijgen. (=Boeren zijn koppige mensen die hun eigen zin doen)
  13. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  14. geen zo kleine sant of hij wil zijn kaars hebben (=ook de mindere machten moet men gunstig stemmen)
  15. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  16. Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  17. hij droomt van schol hij eet graag platvis (=hij verwacht te veel)
  18. Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
  19. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  20. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  21. Hij loopt alsof hij het vuur in zijn aars heeft (=Hij loopt heel hard)
  22. hij weet van voren niet dat hij van achteren leeft (=hij is erg dom)
  23. hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
  24. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  25. Men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=Ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  26. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=Alleen wie zelf slecht is denkt slecht over anderen)
  27. roep geen haring voor hij in het net is (=wees niet te voorbarig)
  28. verkopen terwijl hij erbij staat (=te slim af zijn)
  29. vis laat de mens zoals hij is (=van vis eten wordt je niet dik)
  30. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  31. Wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel terugvinden (=Waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
  32. Wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=Mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  33. wat de boer niet kent, dat vreet hij niet (=hij wenst uitsluitend gerechten te nuttigen die hij reeds kent)
  34. wat de mens zaait zal hij maaien (=je moet er iets voor doen, als je wat wil krijgen)
  35. Wat was hij op zijn paardje. (=Wat werd hij driftig of wat zat hij op zijn praatstoel)
  36. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  37. zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten (=men ziet de anderen zoals men zichzelf ziet)

52 betekenissen bevatten ` hij`

  1. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
  2. dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt hij veel over)
  3. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  4. dat was Grieks voor hem (=dat begreep hij niet)
  5. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  6. dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  7. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)
  8. iets op een procrustesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  9. het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
  10. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  11. iets naar zijn hand zetten (=het precies (laten) doen zoals hij wil)
  12. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=Hij heeft al veel meegemaakt, hij leeft al lang)
  13. hij is over het paard getild (=hij heeft te veel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is)
  14. hij is niet op z'n achterhoofd gevallen (=hij is behoorlijk slim; hij heeft iets wel in de gaten)
  15. hij heeft bot gegeten (=hij is dom geboren en dat zal hij wel blijven ook)
  16. Hij kan door een eiken plank zien als er een gat in zit (=Hij is niet zo bijzonder als hij zich voordoet)
  17. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  18. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn bord dan hij kan eten)
  19. het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
  20. wat de boer niet kent, dat vreet hij niet (=hij wenst uitsluitend gerechten te nuttigen die hij reeds kent)
  21. dat is koren op zijn molen (=hij zal dat meteen gebruiken als argument voor wat hij toch al wilde)
  22. het kruis nageven (=hopen dat hij vooral nooit meer weerkomt)
  23. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  24. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  25. iemand op zijn wenken bedienen (=iemand altijd en onmiddellijk geven waar hij om vraagt)
  26. iemand met open ogen bedriegen (=iemand bedriegen terwijl hij erbij staat)
  27. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  28. iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)
  29. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  30. iemand met de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
  31. Over het paard tillen. (=Iemand te veel prijzen, zodat hij verwaand wordt)
  32. de hond de jas voorhouden (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben)
  33. de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
  34. iemand uit kuieren sturen (=iemand wandelen sturen - niet geven wat hij verlangt)
  35. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt)
  36. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  37. de kleren maken de man (=iemands kleding bepaalt het aanzien dat hij krijgt)
  38. een kolfje naar zijn hand (=iets dat hij erg graag doet)
  39. er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
  40. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  41. Het zijn niet al ridders die sporen dragen (=Je kunt niet alleen aan iemands uiterlijk afleiden of hij ergens geschikt voor is)
  42. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel zien waar hij vandaan komt)
  43. Hij maakt van zijn buik een afgod. (=Lekker eten en drinken vindt hij belangrijk.)
  44. Hij laat de wereld op zijn duim draaien (=Men doet alles wat hij wil)
  45. men moet van zijn kantje blijven (=men mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  46. zelfs de beste breister laat wel eens een steekje vallen (=ook al kan iemand iets heel goed, hij of zij zal ook wel eens een fout maken; dat is vergeeflijk)
  47. iemand doodpraten (=op iemand blijven inpraten tot hij versuft van raakt)
  48. iemand aan zijn woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  49. iemand het heilig kruis achterna geven (=van iemand hopen dat hij nooit meer terugkomt)
  50. voor iemand kruipen (=van iemand schrik hebben , slaafs alles doen wat hij vraagt)

Het dialectenwoordenboek kent 2821 spreekwoorden met ` hij`

  1. Tilburgs: hè hèègt van de muugeghèt (=hij hijgt van vermoeidheid)
  2. Bergs: me ijse de zeiele (=we hijsen de zeilen)
  3. Lochristis: 't schuip es de preude af (=hij is uitgeteld/hijkan niet meer)
  4. Munsterbilzen - Minsters: dat éssem krek (=dat is precies hijzelf)
  5. Leopoldsburgs: Zen keis is ut / hij's kapot (=Hij is dood)
  6. Texels: Hee dréégt 't hort wot hóóg (=Hij is erg trots)
  7. Betuws: Hijs luppes (=Hij is komen lopen)
  8. Westfries: Hai heb 't niet an z'n geefklier (=Hij is niet vrijgevig)
  9. Diesters: dieën hijt et ok ni brieëd (=hij heeft weinig geld)
  10. Luyksgestels: ut is hijt int kot (=Het is heet in huis)
  11. Nijlens: da hijtem maa gelapt (=dat heeft hij mij aangedaan)
  12. Londerzeels: Hije es oemhoog gevalle (=hij heeft het hoog in zijn bol)
  13. Brakels (gld): Hij's nie wijer gekome es de kaaiepoal (=Hij is niet verder gekomen dan tot de keienpaal)
  14. Londerzeels: hije ei niks te retteketetten thuies (=hij heeft niets te zggen thuis)
  15. Westerkwartiers: hij's baang veur zien eig'n hachje (=hij vreest voor zijn eigen lichaam)
  16. Diesters: dieë hijt er gin oeëre noar (=hij wil er niet van weten)
  17. Brakels (gld): Hij's plaanke oan droage in Dordt (=Hij is planken aan het dragen in Dordt)
  18. Westerkwartiers: nou hij'j de popp'm an't daanz'n (=nu zijn de rapen gaar)
  19. Diesters: Dieë hijt ginne nagel oem ze gat te krabbe; dieë zit oep druuëg zoad, dieë moet krabbe oem er te koome (=Hij heeft geen geld)
  20. Westerkwartiers: hij is sjeesd (=hij is gezakt)
  21. Westerkwartiers: hij is muuskestil (=hij is doodstil)
  22. Poperings: nin - nièn (=nee hij)
  23. Leefdaals: ai teit (=hij durft)
  24. Poperings: en ed ie (=hij heeft)
  25. Harelbeeks: 'T es pynantie (=Hij is zat)
  26. Opglabbeeks: dè begaait tem (=hij overdrijft)
  27. Antwerps: azeiwerriswa (=hij praat nonsens)
  28. Buggenhouts: heis oem ziep (=hij is dood)
  29. Meppels: hef a dikke borst (=hij is dronken)
  30. Lichtervelds: je goat ard of (=hij is geconstipeerd)
  31. Poperings: tschoap is de preute of (=hij is versleten)
  32. Zottegems: ij es schampavie (=hij is weg)
  33. Sallands: hi-j verköch (=hij verkoopt)
  34. Sint-Niklaas: jaat (=ja hij)
  35. kortemarks: jis bescheetn (=hij is bedrogen)
  36. Gents: hij es foutu (=hij is geruineerd)
  37. Westerkwartiers: hij is onnerweeg'ns (=hij is onderweg)
  38. Overpelts: boesie? dosie! (=waar is hij? daar is hij!)
  39. Moes: ei geboard va krommen oas (=hij doet of hij van niets weet)
  40. Diesters: dië slopt worrem staet (=hij slaapt waar hij staat)
  41. Lierops: hij hi ut getroffe (=hij heeft geboft)
  42. Wetters: hij zit knurre (=hij heeft geen geld meer)
  43. Valkenswaards: Hij hed me afgenaaid. (=Hij heeft me afgeslagen.)
  44. Westerkwartiers: hij het veul aspiroaties (=hij heeft veel aspiraties)
  45. Overpelts: hij is al de riêp aaf (=hij is al weg)
  46. Kaatsheuvels: hij hèèget zaank op ....... (=hij is helemaal gefocused op ......)
  47. Wetters: Hij es de cigare (=Hij is het slachoffer)
  48. Arnhems: hij het het er de deur lopen (=hij is in de war)
  49. Westerkwartiers: hij is ok niet van guster !! (=hij is ook niet dom !!)
  50. Westerkwartiers: hij liep te hinkelepink'n (=hij liep nogal moeilijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen