Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


93 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` hand`

  1. aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  2. aan de hand doen (=bezorgen)
  3. aan de hand van (=door middel van)
  4. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  5. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  6. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  7. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  8. beurs op de knip / hand op de knip (=geen geld (meer) uitgeven)
  9. de hand aan de ploeg slaan (=flink aan het werk gaan)
  10. de hand aan zichzelf slaan (=zelfmoord plegen)
  11. de hand in eigen boezem steken (=zijn eigen fout inzien)
  12. de hand lenen tot (=helpen)
  13. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  14. de hand op de knip houden (=zuinig zijn)
  15. de hand op iets leggen (=ergens aan kunnen komen)
  16. de hand over zijn hart strijken (=voor één keer toestaan)
  17. de hand reiken (=vergiffenis schenken)
  18. de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
  19. de handen in de schoot (=werkloos)
  20. de handen slaan aan (=ontwijden)
  21. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  22. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  23. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  24. de handschoen opnemen (=het gevecht aangaan)
  25. de laatste hand aan iets leggen (=iets afmaken/voltooien)
  26. de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
  27. de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
  28. de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben)
  29. dit loopt uit de hand (=dit is niet meer onder controle)
  30. een dood kind met een lam handje (=iets dat totaal waardeloos is)
  31. een gat in zijn hand hebben (=geld te gemakkelijk uitgeven)
  32. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  33. een kolfje naar zijn hand (=iets dat hij erg graag doet)
  34. ergens de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
  35. ergens de handen voor op elkaar krijgen (=ergens steun (applaus) voor krijgen)
  36. ergens een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  37. geen hand voor ogen zien (=zich in totale duisternis (of dichte mist) bevinden)
  38. geen handbreed wijken (=niet opzij gaan, nooit bang is)
  39. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  40. Geloof nooit iemand die in de ene hand water en de andere hand vuur draagt (=Wees niet lichtgelovig, niet iedereen is het vertrouwen waard)
  41. goederen in de dode hand (=goederen die niet vererven)
  42. gouden handdruk (=grote afscheidspremie)
  43. hand over hand toenemen (=iets wordt steeds erger)
  44. het heft in eigen hand(en) nemen (=de leiding nemen)
  45. het recht in eigen hand nemen (=eigenmachtig optreden)
  46. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
  47. het zijn twee handen op een buik (=ze verstaan elkaar volkomen)
  48. hij heeft er de hand in gehad (=hij heeft er aan meegewerkt met raad of daad)
  49. Hij vangt vissen met zijn handen (=Hij profiteert van andermans werk)
  50. iemand de hand boven het hoofd houden (=iemand in bescherming nemen)

38 betekenissen bevatten ` hand`

  1. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  2. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  3. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  4. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  5. beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
  6. dat is een bal voor open doel (=dat is een opmerking waar een zeer voor de hand liggend weerwoord op gegeven kan worden)
  7. iemand de manchetten aandoen (=de handboeien aandoen)
  8. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  9. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
  10. een slimme vogel (=een handig persoon met overal een oplossing voor)
  11. een gat in de lucht slaan (=een onnozele handeling doen)
  12. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  13. van zessen klaar (=erg handig zijn en van aanpakken weten)
  14. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  15. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  16. De breedste riemen worden uit andermans leer gesneden (=Het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  17. zijn laatste troef uitspelen (=het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen)
  18. ergens je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een document willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  19. ergens slag van hebben (=iets handig kunnen doen)
  20. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  21. kunnen zakken en verkopen (=in handigheid ver overtreffen)
  22. het is een slechte muis die maar een hol heeft (=je doet er best aan een alternatieve oplossing achter de hand te hebben)
  23. wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  24. te goeder trouw (=naar beste weten en eerlijk handelend)
  25. binnen de lijntjes kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
  26. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  27. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  28. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk handelend)
  29. tussen de klippen doorzeilen (=op handige manier alle moeilijkheden vermijden)
  30. bij de pinken zijn (=snel dingen begrijpen, handig en flink zijn, Vroeg opstaan)
  31. Zijn pijlen verschieten (=Te snel handelen)
  32. uit het vuistje (=uit de hand , zonder gebruik van mes en vork)
  33. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
  34. naar de bekende weg vragen (=vragen naar hetgeen men al weet / Overbodig handelen)
  35. het fijne ervan willen weten (=willen weten wat er precies aan de hand is)
  36. handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
  37. op eieren lopen (=zeer voorzichtig handelen)
  38. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)

Het dialectenwoordenboek kent 122 spreekwoorden met ` hand`

  1. Veurns: nie brillik zien (=niet handelbaar zijn)
  2. Westlands: me klauwe benne vuil (=ik heb vieze hande)
  3. Roeselaars: 't is 't er één van d'een nieuwmarkt (=het is een handelaar)
  4. Diesters: hande as schoepe (=grote handen)
  5. Westerkwartiers: da's 'n hand'nbiendertje (=dat kind vraagt veel aandacht)
  6. Westerkwartiers: zien hand'n jeuk'n 'em (=hij staat te popelen)
  7. Westerkwartiers: wat bist doe 'n onnerkruber (=wat ben jij een oneerlijke handelaar)
  8. Zottegems: schietendig zijn (=vlug en ondoordacht handelen)
  9. Westerkwartiers: de hand'n uut de mouw'n steek'n (=flink aanpakken)
  10. Westerkwartiers: één noar d'oog'n zien (=handelen naar iemand's wensen)
  11. Munsterbilzen - Minsters: waajen hin opne piering vliege (=snel handelen)
  12. Munsterbilzen - Minsters: op eer loppe (=zeer voorzichtig handelen)
  13. Waregems: tes d'antoave die telt, van wantn weetn, zijne stiel kenn'n (=er handeling van hebben)
  14. Westerkwartiers: hij het zien hand'n vrede beloofd (=hij is zeer lui)
  15. Waregems: ie doe één 't vlas// één de kooln// één d'eiers (in 3 x uitgespr. als één) (=hij is handelaar in vlas// in kolen// in eieren)
  16. Westerkwartiers: hij holt 't heft ien hand'n (=hij blijft de baas)
  17. Westerkwartiers: hij het 'n putje onner hand'n (=hij is bezig met een klusje)
  18. Westerkwartiers: zij maag heur hand'n stief dicht kniep'n (=zij mag zeker van geluk spreken)
  19. Waregems: doe ol daje kuint (=handel naar best vermogen)
  20. Westerkwartiers: veul lopers, moar gien kopers (=veel publiek, weinig handel)
  21. Bargoens: een klapper maken (=je slag slaan in de handel)
  22. Ransts: wadist goodde verhoazen, want aa hande zen al ingepakt (=iemand die met zijn handen in zijn broekzakken staat)
  23. Westerkwartiers: doar zit wel meziek ien (=daar zit wel handel in)
  24. Westerkwartiers: hij zit met de hand'n ien 't hoar (=hij weet zich geen raad)
  25. Westerkwartiers: je kenn'n gien iezer met hand'n breel'n (=je kunt sommige zaken niet forceren)
  26. Bilzers: de kemérs geet aateraut; bergaof; slabak (=de handel valt stil)
  27. Waregems: ie es van zero beguin'n (=hij is met niets gestart (handel))
  28. Munsterbilzen - Minsters: aste nix pax,nix hubs (=Liever één vogel in de hand,dan geen hand)
  29. Hulsters (NL): wa schiltur (=wat is er aan de hand)
  30. Urkers: Wat is er loos (=Wat is er aan de hand)
  31. Denderleeuws: altèt aa ant owetsteken (=altijd je hand uitsteken)
  32. Bilzers: nen draeë tron gaeve (=naar zijn hand zetten)
  33. Roermonds: sjtriek mich de jat (=geef me een hand)
  34. Overmeers: nen dots gas (=een hand gras)
  35. Vechtdals: de haande doew (=de hand geven)
  36. Geuls: geine klauw oet staeke (=geen hand uitsteken)
  37. Zeeuws: de wind dr onder (=goed in de hand hebben)
  38. Sint-Niklaas: de korten steken (=speelkaarten in de hand schikken)
  39. Achterhoeks: van hand gaon (=weggaan)
  40. tilburgs: wen tadderakken (=Ik heb slechte kaarten in de hand)
  41. Zeeuws: di lopt un streepje deur (=niet zon bij de hand persoon)
  42. Zaans: Drie vingers, pink en doim! (=Wat is er aan de hand?)
  43. Overpelts: ow haand oétstéke (=je hand uitsteken)
  44. Kerkraads: veëdig in inge vóts (=klaar in een hand omdraai)
  45. Hansbeeks: Geev mij n'andzen (=Laat mij je hand vasthouden)
  46. Waregems: gieën'n droad an gebrookn (=niets aan de hand)
  47. Vechtdals: wat is't (=wat is er aan de hand)
  48. Lunters: hut is heeltonttaard (=uit de hand gelopen)
  49. Mestreechs: un akkefietsje aon de hand höbbe (=een onsmakelijk karweitje aan de hand hebben)
  50. Munsterbilzen - Minsters: iemes get flikke (=iemand wat aan de hand doen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen