Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


75 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` gro`

  1. aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
  2. aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
  3. als aan de grond genageld staan (=perplex staan)
  4. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  5. beter kleine meester dan grote knecht (=liever een bescheiden zelfstandige dan een grote knecht bij een baas)
  6. bij de buren is het gras altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  7. boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  8. boven het hoofd groeien (=onoverkomelijk worden)
  9. buurmans gras is altijd groener (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent))
  10. daar groeit het gras in de straten (=daar is het erg saai)
  11. Dat groeit uit het raam (=Dat kan men niet geheim houden)
  12. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  13. de grote kaars gaat uit (=de zon gaat onder)
  14. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  15. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  16. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  17. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  18. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  19. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  20. die het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen)
  21. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  22. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  23. een grote mond hebben/opzetten (=brutaal zijn)
  24. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  25. er geen gras over laten groeien (=onmiddellijk profiteren, uitvoeren)
  26. er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
  27. er met de grove bijl in hakken (=het brutaal aanpakken)
  28. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)
  29. geen been aan de grond krijgen (=voorstel werd niet aangenomen)
  30. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  31. geen groot licht zijn (=niet al te slim zijn)
  32. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  33. gras gaat niet harder groeien als je eraan trekt (=sommige dingen hebben tijd nodig)
  34. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  35. het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
  36. het gras kunnen horen groeien (=erg verwaand zijn - ook gezegd als het ergens muisstil is)
  37. het grondsop is voor de goddelozen (=gezegd van iemand die het laatste restje uitdrinkt)
  38. het oog is groter dan de maag (=meer op het bord scheppen dan er opgegeten kan worden)
  39. hoe groter geest hoe groter beest (=wel verstandig, maar daarom niet goedhartig)
  40. iemand een grote neep geven (=iemand ernstig afbreuk doen)
  41. iets aan de grote klok hangen (=iets algemeen kenbaar maken)
  42. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  43. in de grond boren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
  44. in grove lijnen (=met vooral aandacht voor de hoofdzaken)
  45. je groen en geel ergeren (=je heel erg ergeren aan iets of iemand)
  46. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  47. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  48. laag bij de grond (=oneerlijk, unfair)
  49. loop naar je grootje (=ga weg!)
  50. luisteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn)

126 betekenissen bevatten ` gro`

  1. een groentje zijn (=(ook: groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  3. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  4. komt men over de hond, dan komt men over de staart (=als de grootste moeilijkheden overwonnen zijn, dan komt de rest vanzelf)
  5. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  6. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  7. haar wil is wet (=als wat zij wil niet gebeurt, dan ontstaan er grote conflicten)
  8. semper virens (=altijd groen)
  9. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  10. Geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=Behandel kinderen niet als grote mensen)
  11. De aardappelen komen niet voor de eikenblaren (=Boerenregel. De aardappelplant begint te groeien als de eik in het blad komt)
  12. van zijn á propos (=buiten bewustzijn, groggy)
  13. het is daar armoe troef (=daar heerst grote armoede)
  14. dat is er een uit de arke noachs (=dat is er een uit een groot gezin)
  15. dat is een ver-van-mijn-bed-show (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt)
  16. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  17. ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
  18. de economie zit in de lift (=de economie groeit)
  19. het hinkende paard komt achteraan (=de grootste problemen houdt men voor het laatst)
  20. De druk is van ketel (=de grootste spanning is voorbij)
  21. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  22. er dik in zitten (=de kans is groot dat het zo is)
  23. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of woordvoerder van de groep)
  24. een kattenrug maken (=diep buigend groeten)
  25. de regen schuwen en in de sloot vallen (=door iets onaangenaams te ontwijken in nog groter problemen komen)
  26. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  27. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  28. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  29. zich in het hol van de leeuw wagen (=een groot risico nemen , rechtstreeks bij de vijand te rade gaan)
  30. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  31. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  32. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  33. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  34. een bok schieten (=een grote fout begaan of zich lelijk vergissen)
  35. op je bek gaan (=een grote fout maken; afgaan)
  36. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  37. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  38. een boom van een kerel (=een grote man)
  39. zijn sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  40. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  41. mijl op zeven zijn (=een grote omweg zijn)
  42. een pak van het hart (=een grote opluchting)
  43. een uil vangen (=een grote strop hebben)
  44. een rib(be) uit iemands lijf (=een grote uitgave)
  45. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  46. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
  47. de wind waait uit die hoek (=een mening van iemand uit een bepaalde groep/partij)
  48. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  49. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  50. een vreemde eend in de bijt (=een vreemd exemplaar in de groep. (Een bijt is een opening in het ijs))

Het dialectenwoordenboek kent 79 spreekwoorden met ` gro`

  1. Zeeuws: de hroe (=groede)
  2. Texels: Speejers ben deejers (=Babies die spugen, groeien vaak goed)
  3. Steins: groeat gaon (=in verwachting zijn)
  4. Hulsters (NL): kèn (groaten) 'onger (=ik heb (veel) trek)
  5. Kortemarks: in etwie ze groasje stoan (=in iemands smaak vallen)
  6. Westerkwartiers: hol op te groedjen (=hou op te morsen)
  7. Overmeers: 'n mijte groan (=een stapel graan)
  8. Steins: d'n duvel sjit ummer op d'n groeatsten haup (=Sommige mensen hebben altijd geluk)
  9. Bloals: un groat bakkes (=grote mond)
  10. Overmeers: ne zolder groan (=een zolder graan)
  11. Brakels: klavers: kappers zijn geen groavers (=kaartterm: klaveren is troef)
  12. Westerkwartiers: hol op te groedje toet'n (=hou op te morsen)
  13. Genneps: Niks kunne als gro.te botteramme klèèn maake (=niet veel presteren)
  14. Westerkwartiers: grode griebels en gien enne (=dit is wel heel bijzonder)
  15. Westerkwartiers: hij is niet zuver op 'e groat (=hij is niet te vertrouwen)
  16. tervurens: kom mo in maain groeb (=jij mag er bij komen)
  17. Westerkwartiers: hij pikt d'r 'n groantje van met (=hij profiteert er van mee)
  18. Westerkwartiers: zij nam 'em te groaz'n (=zij nam hem ertussen)
  19. Flakkees: waer ist groatje? (=waar is je vrouw?)
  20. Lichtervelds: van dn oevr in dn dyk groakn (=aan lager wal geraken)
  21. Steins: Dènke mòste aan e paerd euverlaote (dat haet eine groeatere kop) (=Jij hoeft niet mee te denken!!)
  22. Hulsters (NL): un groate muil èn (=een brutale mond hebben)
  23. Brugs: u groate lantèren me d'un klèen luchtie (=een opschepper)
  24. Flakkees: Een groate poke (=Een dikke buik)
  25. Lebbeeks: was: Dei plante zijn in de was (=Die planten groeien goed)
  26. Bilzers: ze és hür beloengskes al op ont bloëze (=ze groeien)
  27. Dilbeeks: Ge muigt twie kiere groan... (=Je kan het al raden...)
  28. Diesters: ne scheut krijge (=fel groeien ( persoon))
  29. Westerkwartiers: hij vaalt van 'e groat (=hij is sterk vermagerd)
  30. Sint-Katelijne-Waver: Gaa meugt draa kiêre groeie (=Jij mag drie keer raden)
  31. Sint-Niklaas: ès mor 't vaal over de benen, ès groatmoager (=hij is zeer mager)
  32. Westerkwartiers: zo is 't ien grode lien'n (=zo is het grofweg)
  33. Westerkwartiers: veul kleintjes moak'n één grode (=vele kleintjes maken één grote)
  34. Westerkwartiers: 't is groag of troag (='t is graag of helemaal niet)
  35. Westerkwartiers: ik maag dij groag lied'n (=ik mag je graag)
  36. Westerkwartiers: 'n beetje averseer'n groag !! (=wat tempo maken graag !!)
  37. Steins: Doe kèns allein mer stòm kalle, en groeate huip sjiete !! (=Jij deugt nergens voor)
  38. Oudenbosch: ze laote d r gin gras over de patjes groeie (=dat is niet aan dovemansoren gezegd)
  39. Gents: tes veur mij een weete en veur eu een groaije (=ik zal het je niet vertellen)
  40. Bilzers: en asver daud zin, groeiter graoës op ooze bauk (=op herkhof onder de zoden liggen)
  41. Munsterbilzen - Minsters: 't kan nie op ! (=de bomen groeien tot in de hemel)
  42. Horster: doa zit de krot ì (=iets dat niet wil groeien)
  43. Sevenums: Fiêze verkes waeren nit vet (=Wie weinig lust zal slecht groeien)
  44. Grobbendonks: Zwaagt (=Hou je mond)
  45. West-Vlaams: je lat der gin gras over groein (=je wacht er niet mee)
  46. Westerkwartiers: hij leeft op te grode voet (=hij geeft meer geld uit dat dat kan)
  47. Westerkwartiers: wat het die kirrel 'n grode loadklep (=wat heeft die man een grote mond)
  48. Fries: hy is wat efterlik, wat efterop yn 'e groei... (=Hij is wat achterlijk in z'n groei)
  49. Grobbendonks: tis just (=het is juist)
  50. Westerkwartiers: ruuge vreters dij'n 't best (=ruige eters groeien het best)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen