Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


53 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` geven`

  1. aalmoezen geven verarmt niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
  2. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  3. acte de présence geven (=ervoor zorgen dat je ergens aanwezig bent)
  4. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  5. de pijp aan maarten geven (=sterven, ermee ophouden)
  6. een draai aan het verhaal geven (=een hele eigen versie van wat er gebeurd is vertellen)
  7. een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
  8. Een patat geven (=Een mep geven)
  9. een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
  10. er de brui aan geven (=ergens mee ophouden)
  11. er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
  12. ergens lucht aan geven (=laten blijken)
  13. ergens zijn pink wel voor willen geven (=iets heel graag willen hebben)
  14. geen krimp geven (=niet opgeven, doorgaan zonder te klagen)
  15. geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
  16. gevolg geven aan (=reageren op)
  17. haken en ogen geven (=iets heeft veel moeilijkheden)
  18. hem van jetje/katoen geven (=er vaart achter zetten)
  19. het heilig kruis achterna geven (=hopen dat iets of iemand nooit meer terugkomt)
  20. het in tienen geven (=wedden dat de aangesprokene het niet kan)
  21. iemand belet geven (=iemand niet ontvangen)
  22. iemand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen zien)
  23. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  24. iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
  25. iemand de schop geven (=iemand ontslaan)
  26. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  27. iemand de zak geven (=iemand ontslaan)
  28. iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)
  29. iemand een grote neep geven (=iemand ernstig afbreuk doen)
  30. iemand een koud bad geven (=iemand kalmeren , illusies ontnemen)
  31. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  32. iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
  33. iemand het heilig kruis achterna geven (=van iemand hopen dat hij nooit meer terugkomt)
  34. iemand het volle pond geven (=uitvoerig en duidelijk antwoorden)
  35. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  36. iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
  37. iemand iets op zijn brood geven (=iemand onvriendelijk iets verwijten)
  38. iemand troef geven (=iemand afstraffen)
  39. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
  40. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid zeggen)
  41. iets een vernisje geven (=iets opkalefateren)
  42. in het licht geven (=uitgeven - publiceren)
  43. je zult ze maar de kost moeten geven (=het zijn er veel (mensen))
  44. men zou hem een aalmoes geven (=hij ziet er armoedig uit)
  45. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  46. opzitten en pootjes geven (=zich onderwerpen aan een verplicht gesprek)
  47. te kennen geven (=laten verstaan)
  48. tekst en uitleg geven (=verantwoording afleggen)
  49. veel beloven en weinig geven, doet de gek in vreugde leven (=veel mensen zijn al blij met een belofte en geloven alles)
  50. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)

70 betekenissen bevatten ` geven`

  1. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  2. Iemand in de buik straffen. (=Als straf geen eten geven.)
  3. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  4. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  5. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  6. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  7. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te worden)
  8. goede raad is duur (=bijna te moeilijk om raad te kunnen geven)
  9. de bal aan het rollen brengen (=de aanzet geven)
  10. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  11. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  12. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  13. iets over zich hebben (=een bepaalde indruk geven)
  14. een veer op de hoed steken (=een compliment geven/krijgen)
  15. een veer op zijn muts steken (=een compliment geven/krijgen)
  16. een pluim krijgen of geven (=een compliment krijgen of geven)
  17. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  18. advocaat van de duivel spelen (=een mening geven waar je het zelf niet mee eens bent, maar die je geeft om reacties uit te lokken)
  19. Een patat geven (=Een mep geven)
  20. het sop is de kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  21. over de knie leggen (=een pak slaag geven)
  22. iemand op zijn vestje spuwen (=een standje geven en ongenoegen over iemand uiten)
  23. iemand op de vingers tikken (=een standje geven, berispen)
  24. er de maan aan geven (=er de brui aan geven)
  25. zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)
  26. iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
  27. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  28. zijn zegel aan iets hechten (=goedkeuring of toestemming ergens aan geven)
  29. iemand uit de loog borstelen (=hem nieuwe kleren geven)
  30. het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
  31. huilen met de wolven in het bos (=het er niet mee eens zijn maar wel de baas gelijk geven en bevestigen)
  32. iemand op zijn wenken bedienen (=iemand altijd en onmiddellijk geven waar hij om vraagt)
  33. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  34. iemand de genadeslag geven (=iemand die al in grote moeilijkheden zit nog een probleem erbij geven zodat diegene het niet meer aan kan)
  35. iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
  36. vurige kolen op iemands hoofd stapelen (=iemand een groot schuldgevoel geven door hem onverdiende lof of vriendelijkheid te geven. )
  37. Iemand een hengst verkopen. (=Iemand een harde klap geven)
  38. iemand een bokking geven (=iemand een standje geven)
  39. iemand iets aan de hand doen (=iemand een suggestie geven)
  40. iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)
  41. iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
  42. iemand de ogen openen (=iemand inzicht geven in iets wat diegene nog niet doorhad)
  43. iemand kort houden (=iemand niet veel bewegingsvrijheid geven (fig.))
  44. iemand in het zonnetje zetten (=iemand op positieve wijze aandacht geven, iemand eer bewijzen)
  45. iemand te kort doen (=iemand te weinig geven of begrijpen)
  46. de hond de jas voorhouden (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben)
  47. de kat op het spek binden (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben)
  48. iemand uit kuieren sturen (=iemand wandelen sturen - niet geven wat hij verlangt)
  49. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  50. baat het niet, schaadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)

Het dialectenwoordenboek kent 198 spreekwoorden met ` geven`

  1. kemzekes: smeiring geven, aftoepen (=rammeling geven)
  2. Aalsters: sirkonfleks geiven (=mep geven)
  3. Lovendegems: petrolgeven (=gas geven*)
  4. Vrasens: een mot geven (=een slag geven)
  5. Merenaars: der ne skip in geven (=een benaderende oplossing geven)
  6. Hulsters (NL): gèijn asum geven (=geen antwoord (willen) geven)
  7. Waaslands: hem een goeie dussing geven (=hem slagen geven)
  8. Ledegems, Kappels: een toppeire geven (=een klap op het hoofd geven)
  9. Munsterbilzen - Minsters: onner zen fiaul stampe (='n flinke trap geven)
  10. Ossies: D'r tegenoan peere (=Er een klap tegenaan geven)
  11. Sint-Niklaas: voeieren (=eten geven aan beesten)
  12. Geluws: kgoa mènsche maken (=ik ga een teken geven)
  13. Westerkwartiers: één van ketoen geev'm (=iemand een standje geven)
  14. Drents: 'n Pak op pens geev'n (=Op z'n donder geven)
  15. Loksbergs: oep zen klitsen sloen (=pak rammel geven)
  16. Munsterbilzen - Minsters: ferm traut pëdalle (=gas geven)
  17. Deinzes: beentje smijdn (=van z'n jetje geven)
  18. Veurns: ze ,kop nie geev'n (=zich niet gewonnen geven)
  19. Lebbeeks: pellong: Pellong geven (=Er vaart in zetten)
  20. Sint-Niklaas: buzze geven (=zich haasten)
  21. Steins: Dae höb ich 'ns flink doorgelaote / betrokke (=Een pak slaag geven)
  22. Westerkwartiers: één de nekslag geev'm (=iemand de genadeklap geven)
  23. Westerkwartiers: één wat aan de haand doen (=iemand een goede tip geven)
  24. Munsterbilzen - Minsters: zau smijte ze de kiëning zen haase ook (=geven en niet gooien !)
  25. Mols: petrol geven (=gas geven)
  26. Zottegems: iemand ne stamp tegn zijn intpot geven dat hij al schrijven vurtlupt (=iemand een ferme schop tegen zijn achterste geven)
  27. Oudenbosch: die motte nie de lengte geve (=die moet je niet de kans geven)
  28. Sint-Niklaas: ge kun ne kei 't vaal nie afstropen (=die niet heeft kan niet geven)
  29. Westerkwartiers: de liefde ken niet van één kaant komm'n (=men moet geven en nemen)
  30. Rotterdams: Mot ik die soms met me pik open make.. (=Flesje bier geven zonder opener)
  31. Arnhems: Knal recht op de bek veur! (=Een klap op het gezicht geven.)
  32. Westerkwartiers: 't bij 'n aaner ien 'e schoen'n schuuv'm (=iemand ander de schuld geven)
  33. Munsterbilzen - Minsters: iemes n goej watsj tiëge de aure gaeve (=iemand een draai rond de oren geven)
  34. Vejels: Ik gen diee is in kadere (=Ik zal die is een pak slaag geven)
  35. Zwols: ik zal em een snoeverd gèven (=ik zal hem een uitbrander geven)
  36. Munsterbilzen - Minsters: de moes nie op ielke slek zaat wille lègge (=je moet niet overal commentaar op geven)
  37. Westfries: niet op skuiffies laupe (=ook zelf eens een rondje geven hoor!)
  38. Munsterbilzen - Minsters: ën goej sjroemp krijge/gaeve (=een veeg uit de pan krijgen/geven)
  39. Sint-joasters: besjeid zegke (=bericht geven)
  40. Bilzers: zen bille opwaerme (=rammel geven)
  41. Munsterbilzen - Minsters: aofpoejere (=rammel geven)
  42. Walshoutems: toeffeling dree (=Oorvijg geven)
  43. Venloos: De worm zaegenen (=Standje geven)
  44. Giesbaargs: plansjee geven (=rap, snel, heel vlug rijden)
  45. Aspers: Een beetse scheute geven (=Iets doen aflopen)
  46. Veurns: Etwien e smoetstute geven (=Iemand een kinwreef geven)
  47. Veurns: beschid geev'n (=bescheid geven)
  48. Bilzers: van ketaun gaeve (=gas geven)
  49. Veurns: slunse geev'n (=slunse geven)
  50. Heels: èt trumptj (=kleine klok wordt geluid om aan te geven dat de mis over .... minuten gaat beginnen.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen