Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` druk`

  1. De druk is van ketel (=de grootste spanning is voorbij)
  2. het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
  3. iemand met de neus op de feiten drukken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
  4. iemands voetstappen drukken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  5. op het hart drukken (=met de grootste nadruk zeggen)
  6. zich druk maken over (=zich kwaad maken om, zich aantrekken van)
  7. zijn snor drukken (=afwezig blijven / Zijn werk niet doen)

16 betekenissen bevatten ` druk`

  1. zo bezig als een bij (=erg druk bezig zijn)
  2. zijn vel duur verkopen (=het slechts onder de grootste druk opgeven)
  3. iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
  4. Een hennentaster (=Iemand die zich druk maakt om ongelegde eieren)
  5. iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder druk zetten)
  6. iemand het mes op de keel zetten (=iemand onder zware druk zetten)
  7. iemand de duimschroeven aanzetten (=iemand scherp ondervragen, onder grote druk zetten)
  8. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  9. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  10. in touw zijn (=met iets druk bezig zijn)
  11. het hoofd loopt me om (=niet meer weten wat te doen (bv bij drukte))
  12. het mes op de keel zetten (=onder sterke druk zetten)
  13. poeha maken (=overdreven doen of drukte maken)
  14. veel poespas (=veel overdrijven en drukte maken)
  15. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit, vrolijkheid of drukte inbrengen)
  16. zich (te) sappel maken (=zich (te) druk over iets maken)

Het dialectenwoordenboek kent 88 spreekwoorden met ` druk`

  1. Katwijks: Drukke nering (=Grote drukte)
  2. Temse: tis douf (=het is drukkend warm)
  3. Temse: tis doef (=het is drukkend warm)
  4. Opglabbeeks: lève inne bruiweriej (=drukte)
  5. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch te weineg lëtters geaete (=de drukker kon er niet meer aan uit)
  6. Munsterbilzen - Minsters: hae kinter geen jota mei van (=de drukker verstaat er geen letter meer van)
  7. Zeeuws: de huust bin noha druuzug (=drukke kinderen)
  8. Vechtdals: iets hem'm te drukkn (=nodig naar de wc moeten)
  9. Bilzers: foj 't ès wêrm, 't ès vér flaa te valle van de hits (=het is drukkend warm)
  10. Rijssens: za'k oe tegen de koark an drukk'n (=brommers kiek'n)
  11. Dordts: \ (=Deze uitdrukking staat voor algemene drukte, waar dan ook)
  12. Veurns: è sjcheet' in è netzak (=een drukte om niets)
  13. Steins: 'ne kop wie eine ríéthamer höbbe (=flinke hoofdpijn ,of drukkend gevoel in het hoofd)
  14. Evergems: kakken goa veur bakken (=eerst drukken, daarna bakken)
  15. Mestreechs: kloete sjoore (=drukken op het werk)
  16. Werviks: rechtsweird (=drukt de verhouding uit met kinderen van oom of tante)
  17. Helmonds: bolsturig (=onrustig,druk, gedrag.)
  18. Veurns: drukk'n zoender iente (=het nieuw nauw nemen met de waarheid)
  19. Gelaens (Geleens): Maak neet zoa'ein apprenche (=Maak niet zo'n drukte)
  20. Veurns: een schete in een netzak (=een drukte om niets)
  21. Lovendegems: een scheet in een flassche (=veel drukte om niets*)
  22. Zeeuws: ie lieg of attut e drukt sti (=leugenaar)
  23. Westerkwartiers: dat maag 'em de pret niet drukk'n (=dat zal geen roet in het eten gooien)
  24. Tilburgs: dur de drukte kosse me-r nie deur (=door de drukte konden wij er niet door.)
  25. Zeeuws: ie eit tut zo druk a s un roekel mie ie--en vleeke (=druk)
  26. Hulsters (NL): tis daor un éle (grôte) affaire (=het is daar een hele drukte)
  27. Oudenaards: Mokt ui zoë dul nie (=Maak je niet druk)
  28. Bilzers: n kwispeltrien (=een druk kind)
  29. Vechtdals: mu'j hen heuin (=heb je het druk)
  30. Brugs: va je gat maken (=zich druk maken)
  31. Sevenums: embras maken (=zich ergens druk om maken)
  32. Twents: op 'n biester wèèn (=heel druk zijn)
  33. Huizers: hear op een hongd (=druk of erg veel)
  34. Veurns: joeëns en zwiens vroetel'n ollesziens (=kinderen zijn druk)
  35. Haarsteegs: In bezoelie zijn (=Druk bezig zijn)
  36. Lutters: kannie wach'n (=ik ben druk)
  37. Kortenbergs: 't zie zwet van 't volk (=Het is druk)
  38. Luyksgestels: 't zo druk hemme ès de pan mee vastenoavend (=het ergens heel druk mee hebben)
  39. Twents: doo mer heanig an (=doe maar niet zo druk)
  40. Sallands: drok ant wark (=druk aan het werk)
  41. Westerkwartiers: hij is drok ien 'e weer (=hij is druk bezig)
  42. Vechtdals: nie hen heuin hoevm (=niet druk zijn)
  43. Roermonds: zich danig opriete (=zich behoorlijk druk maken)
  44. Antwerps: ge moet ni zoë van oewen théoater moake (=Je moet niet zoveel drukte maken)
  45. Amsterdams: madeliefies naar buiten drukken (=dood zijn)
  46. Roeselaars: Jis ze were ant drukken (=Hij is aan het liegen)
  47. Westerkwartiers: hij lugt of 't drukt stijt (=hij liegt zonder te blozen)
  48. Westerkwartiers: hij ken lieg'n of 't drukt stijt (=hij kan liegen zonder te blozen)
  49. Westerkwartiers: hij huuft niet noar zien pet zoek'n (=hij heeft het erg druk)
  50. Roermonds: Bedoot dich neet zo (=Je maakt je te druk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen