Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` boel`

  1. de boel aan kant maken (=opruimen)
  2. de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
  3. de boel in het honderd sturen (=in de war maken/verstoren)

7 betekenissen bevatten ` boel`

  1. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  2. de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
  3. kap en keuvel (=de hele boel)
  4. het huishouden van Jan Steen (=een slordige boel)
  5. tabula rasa maken (=geheel herbeginnen - de boel helemaal opruimen)
  6. een Augiasstal reinigen (=het opruimen van een vreselijk vuile boel)
  7. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opruimen, na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten)

Het dialectenwoordenboek kent 25 spreekwoorden met ` boel`

  1. Bilzers: ze boeltsje bijéénpakke (=opgeruimd staat netjes)
  2. tervurens: boelet doon (=miskleun doen)
  3. Lebbeeks: ènnekesnest: Gieël d'n ènnekesnest (=Heel de boel)
  4. Tongers: pak oer baggenote èn bolt èt oaf (=Pak uw boeltje bijeen envertrek)
  5. Sint-Niklaas: e lief boeleke (=een lieve baby)
  6. Westerkwartiers: de hiele brut (=de hele boel)
  7. Tielts: hjel dienn utsekluts (=heel die boel)
  8. Westerkwartiers: de heule boedel is ommiedert (=de hele boel is omgevallen)
  9. Westerkwartiers: zij trekt an 'e touwkes (=zij regelt de boel)
  10. Waregems: mé heel zijn bezoatse/ mé kliekn en klakk'n (=met zijn hele boeltje)
  11. Tilburgs: hil de reutemeteut naam ie meej (=hij nam het hele boeltje mee)
  12. Munsterbilzen - Minsters: ich how mèténe de heile patteklang én geddere (=ik sla seffens de hele boel in stukken)
  13. Ostêns: boel zoek'n (=heibel zoeken)
  14. Munsterbilzen - Minsters: hae hèttet boeltsje platgegojd (=de kraanmachinist gaf er een verkeerde draai aan)
  15. Westerkwartiers: een hiele bult (=een hele boel)
  16. Gents: wa (vurte) boel es da d' iere (=wat voor zootje is dat hier ?!)
  17. Waregems: roapt ui boelke moar töepe en zet an (=je bent op staande voet ontslagen)
  18. Weerts: hieër kom in oos hoês, de kat és met d'n heilige geist aan't sleipe (=de boel staat op zijn kop)
  19. Lebbeeks: santenboetik: Gieël de santenboetik (=Heel de boel)
  20. Bilzers: lotte poes mér pisse (=laat de boel maar draaien)
  21. Zwartebroeks: de boel laote v'rslorre (=de zaak verwaarlozen)
  22. Wetters: heel den boel laagt doar uup over kluut (=alles lag daar in totale wanorde)
  23. Urkers: un zittund gat kan un bult bedinken (=Een zittend gat kan een boel bedenken)
  24. Deinzes: Wa nen boel è dadiere? (=Wat is er aan de hand?)
  25. West-Vlaams: zoektj'spel?,wildj boel?,moeje een vuste vangn?? (=wilt u een conversatie aangaan?)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen