Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

18 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` ban`

  1. aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
  2. aan de lopende band. (=aan één stuk door; steeds maar weer.)
  3. door de bank genomen. (=gemiddeld; meestal; gewoonlijk.)
  4. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier. (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele.)
  5. het niet onder stoelen of banken steken (=je niet stil houden, maar je mening openlijk uiten)
  6. iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  7. iets aan banden leggen. (=ervoor zorgen dat iets zich niet verder kan uitbreiden.)
  8. iets in goede banen leiden. (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt.)
  9. in de ban zijn van iets. (=zo erg in iets geïnteresseerd zijn dat je aandacht alleen nog maar daarop kunt richten.)
  10. je mening niet onder stoelen of banken steken. (=je mening niet verbergen, openlijk voor je mening en standpunten uit durven komen, bij voorbeeld van afkeuring van iets.)
  11. niet onder stoelen en banken steken (=er rond voor uitkomen)
  12. niet onder stoelen en of banken steken (=er rond voor uitkomen)
  13. onder stoelen of banken steken (=verbergen)
  14. uit de band springen (=uitbundig plezier maken, zonder rekening te houden met de regels van orde en fatsoen.)
  15. va banque spelen (=roekeloos spel spelen)
  16. voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
  17. wie bang leeft, gaat ook bang dood. (=je gaat zoals je geleefd hebt)
  18. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)

23 betekenissen bevatten ` ban`

  1. als 't schip zinkt dan zinkt ook de lading. (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt.)
  2. op zijn achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
  3. hazevlees gegeten hebben (=een bangerik zijn)
  4. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  5. de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
  6. in de piepzak zitten (=geen oplossing weten, bang zijn voor de gevolgen)
  7. als de dood zijn voor iets (=heel erg bang zijn voor iets)
  8. hij zit in de naad. (=hij is bang.)
  9. hij schijt zeven kleuren bagger. (=hij is erg bang.)
  10. een held op sokken. (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik.)
  11. iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
  12. geen water te diep zijn (=nergens bang voor zijn, alles durven)
  13. iets aandurven (=niet bang zijn om iets te doen)
  14. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  15. geen handbreed wijken (=niet opzij gaan, nooit bang is)
  16. bang zijn voor zijn eigen schaduw (=overdreven bang zijn)
  17. zijn tanden laten zien. (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn.)
  18. bang voor zijn hachje zijn (=weinig durven en bang zijn om gevaar te lopen)
  19. een klein hartje hebben (=weinig durven/gauw bang zijn)
  20. zijn hart vasthouden (=zich ernstig zorgen maken. bang zijn dat het mis gaat.)
  21. met de ellebogen werken (=zich ten koste van anderen een weg banen)
  22. zijn hart vasthouden (=zich zorgen maken, bang zijn dat het mis gaat => bang)
  23. er onderdoor gaan (=ziek worden, bankroet gaan, oververmoeid raken)

Het dialectenwoordenboek kent 18 spreekwoorden met ` ban`

  1. Munsterbilzen - Minsters: ze pakden em met zen banaan (=de bananenhandelaar is de pisang)
  2. Ninoofs: a skrauëft ban'n notoeëres (=notarisklerk)
  3. Brakels: è banane (=dag vriend)
  4. Brugs: kruupt in je boom en fret banannen (=oh man!)
  5. Bocholtz: rink (=fietswiel zonder band)
  6. Oudenbosch: ijeettum ut vel van z n neus gaold (=hij heeft hem financieel aan banden gelegd)
  7. Fries: 'n Gelderman kin noch safolle sizze, kinst better mei him leppeltsjelizze (=luister nooit naar een Gelderman, voor je 't weet raak je in de ban)
  8. Roermonds: Mit dae kwatsch kinse noch een banaan rech lulle (=Jij praat onzin)
  9. Duffels: ne platten tuup (=een lekke band)
  10. Leids: een lekke peip (=een lekke band)
  11. Munsterbilzen - Minsters: zonner getrentel (=aan de lopende band)
  12. Munsterbilzen - Minsters: de zits allewaajl langer vas én filles dan bandiete èn de bak (=als je jaren in het verkeer zit, zit je langer vast dan een moordenaar)
  13. Munsterbilzen - Minsters: dër de band (=gemiddeld)
  14. Hals: uwe velo heeft ne platte tube (=uw fiets heeft een lekke band)
  15. Budels: nondedoeme miene fiets stut op zien zök! (=verdorie ik heb een lekke band!)
  16. Bilzers: dûr de band (=over 't algemeen)
  17. Zwols: Die ef een beste poele op de band . (=Die is in verwachting .)
  18. Tilburgs: knòts tòch nie zo op de kaajbaand, sebiet hèdde unne lèkke tuut. (=knal toch niet zo tegen de trottoirband, zo dadelijk heb je een lekke band.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen