Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


53 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` alle`

  1. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  2. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  3. alles op alles zetten (=zich tot het uiterste inspannen om iets te bereiken)
  4. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  5. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  6. als niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  7. beneden alle peil (=stijlloos)
  8. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  9. dat is alleen voor pater en mater en niet voor het hele convent (=dat is voor jou te hoog gegrepen)
  10. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  11. de tijd heelt alle wonden (=na lange tijd zal de pijn vanzelf over gaan)
  12. de weg van alle vlees gaan (=sterven)
  13. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  14. een ongeluk komt zelden/nooit alleen (=als er iets misgaat, gaat er vaak nog meer mis)
  15. een onzevader bidden in alle kapelletjes (=in alle cafés langsgaan)
  16. er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken)
  17. gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  18. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  19. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  20. het zijn niet allen koks die lange messen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  21. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  22. Hij jaagt alles door het halsgat. (=Hij maakt alles op aan eten en drinken.)
  23. Hij kan meer dan alleen brood eten. (=Verstand van zaken.)
  24. ieder voor zich en God voor ons allen (=niemand helpt elkaar)
  25. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  26. in mei leggen alle vogels een ei (=weerspreuk - aanduiding dat in mei het broedseizoen begint)
  27. jan en alleman (=iedereen)
  28. Je kunt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  29. Je mag wel alles eten, maar niet alles weten. (=Ik hoef je niet alles te vertellen.)
  30. met alle soorten van genoegen (=heel graag)
  31. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  32. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  33. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  34. met alle zonden van Israël beladen worden (=voor alles de schuld krijgen)
  35. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  36. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  37. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  38. ongeluk komt zelden alleen (=een tegenslag wordt vaak gevolgd door nog meer problemen)
  39. op alle slakken zout leggen (=op alle onbelangrijke dingen commentaar hebben)
  40. tijd heelt alle wonden (=door het verloop van tijd worden herinneringen zwakker en de erge dingen minder erg)
  41. uit alle hoeken en gaten (=van alle kanten)
  42. van alle markten teruggekomen zijn (=nergens voor deugen)
  43. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
  44. van God en alle mensen verlaten (=afgelegen; stil)
  45. vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
  46. we kunnen niet allen paus van Rome zijn (=niet iedereen kan de baas zijn)
  47. weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
  48. ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  49. ze niet alle vijf hebben (=vreemd gedragen of niet goed bij het verstand zijn)
  50. ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben (=niet bij zijn volle verstand zijn. (alle vijf = de zintuigen))

122 betekenissen bevatten ` alle`

  1. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  2. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  3. Het varken is door de buik gestoken (=1: Door krachtig optreden zijn de moeilijkheden uit de weg geruimd. 2: alles is doorgestoken kaart, opgezet spel, de zaak is vooraf bedisseld)
  4. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  5. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  6. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  7. zijn ziel en zaligheid verkopen (=absoluut alles opofferen)
  8. alles op haren en snaren zetten (=alle middelen aanwenden / alles in het werk stellen)
  9. voor Sinterklaas spelen (=alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen)
  10. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  11. alles op het spel zetten (=alles inzetten en mogelijk alles verliezen)
  12. de bramzeilen bijzetten (=alles op alles zetten)
  13. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  14. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  15. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  16. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  17. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar)
  18. bij nacht zijn alle katjes grauw en alle mondjes even nauw (=als het erop aankomt zijn we allen gelijk)
  19. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  20. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder wordt ga je van alles mankeren)
  21. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  22. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  23. Heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan wordt het alleen maar erger)
  24. Heeft de duivel 't paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=Ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
  25. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  26. volgens Bartjens (=de allereenvoudigste rekenstof (als referentie aan onderwijzer Willem Bartjens die een bekend rekenboekje schreef))
  27. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  28. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  29. de mens wikt, maar God beschikt (=de mensen maken allerlei plannen, maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt)
  30. als een spin in het web (=de persoon of organisatie waar alles om draait)
  31. de wrijfpaal zijn (=de schuld krijgen (van alles))
  32. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  33. men kan niet door een muur lopen, behalve als er een deur in zit (=dingen kunnen alleen gedaan worden als er een reële kans toe is)
  34. door de bomen het bos niet meer zien (=door alle details het overzicht verliezen)
  35. Twee zotten onder één kaproen (=Een gek is zelden alleen)
  36. de beer is los (=er gebeurt opeens van alles; er ontstaat ruzie of paniek)
  37. zich in allerlei bochten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te geraken)
  38. er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorders (=er wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt)
  39. iets wikken en wegen (=erg lang over iets nadenken en alle voors- en tegens afwegen)
  40. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  41. hemel en aarde bewegen (=ergens alles aan doen om het gedaan te krijgen (bv van iemand))
  42. goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
  43. Getelde schapen lopen het hok uit. (=Exact alles van tevoren weten)
  44. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  45. moederziel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
  46. lest best (=het beste van alles komt op het einde)
  47. het is dief en diefjesmaat (=het is allemaal even erg)
  48. het is één pot nat (=het is allemaal hetzelfde)
  49. het kan vriezen en het kan dooien (=het kan alle kanten uit gaan)
  50. het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpunten bekijken (BE).)

Het dialectenwoordenboek kent 287 spreekwoorden met ` alle`

  1. helmonds: alleej, alleej, alleej (=schiet op)
  2. Antwerps: allee , den allee is bouve (=allee (aansporing))
  3. Moes: mor allei gij (=maar kom)
  4. Erps: in a broek schijten en alleloelia zingen (=luidop dromen)
  5. Moes: allei jong (=t'is niet waar zeker)
  6. Brakels: mij gat gescheetn en alleeloeja gezoongn (=in je dromen)
  7. Tilburgs: alleej,verèùt, aachterèùt. (=toe, vooruit, ga achteruit.)
  8. Waregems: allee toe, gouw ! (=kom op !)
  9. Munsterbilzen - Minsters: van lang ston konste wottel sjiete (=alleenstaande zoekt zittend beroep)
  10. Merenaars: alleesj gi woeer (=niet eens waar)
  11. Lebbeeks: goestingen: Vieze goestingen émmen (=Trek hebben in niet-alledaags gerechten tijdens de zwangerschap)
  12. Westfries: allegaar skeef en beroerd. (='t is niet bepaald af....)
  13. Zeeuws: allef mudje (=klein dik vrouwtje)
  14. Moes: allei jom, oustouwa (=komaan, haast je wat)
  15. Antwerps: veul te goe is allef zot (=veel te goed is half zot)
  16. herenthouts: Kgoon da allegaa doen (=Ik zal dat eens vlug doen)
  17. Drents: Hij mot op de zwörm passen. (=Iemand wiens vrouw 'op alledag' loopt)
  18. Munsterbilzen - Minsters: zenen allee gon (=buiten gezwierd worden)
  19. Walshoutems: allel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale (=Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halen)
  20. Ossendrechts: allee gij! (=uitroep van verontwaardiging)
  21. Tilburgs: alleej, kom haawdoe war. (=nou vooruit tot ziens maar weer.)
  22. Waregems: ie 'n oa alleens geen'n dust (=hij had niet eens dorst)
  23. Londerzeels: oep den allee (=op de overloop)
  24. Bevers: Ik zal da ies allegou arrangeren (=Ik zal dat eens snel doen)
  25. Epers: A'j noe deur de hond of de katte e'beet'n wod,t'is allebeide niks. (=Politiek is gemeen)
  26. Harelbeeks: Allee tot in 't pikken van d'n andzjoen eh! (=Een vage afsraak maken)
  27. Ouddorps: Ze blonke as 'n schallebieter, alletwêê (=Ze glommen allebei)
  28. Hulsters (NL): Allee, jong? - Allijong? (=Wat zeg je me nou?)
  29. Hulsters (NL): allee jong! (=hou daar mee op!)
  30. Oudenbosch: ij mag nog vor allef geld mee (=hij kan nog mee op een kinderkaartje)
  31. Oudenbosch: die zijn vantzelfde laoke en pak (=die zijn allebei even erg)
  32. Waregems: ouw zeekre !, emmaar allee gouw zeg !, ten e nie woar ee ! (=nee maar !)
  33. helmonds: wai ete allein nog wa froit (=ik eet alleen nog wat fruit)
  34. Terneuzens: de minsen stingen allegoare t'hope op den diek (=de mensen stonden op een kluitje op de dijk)
  35. Kinrooi: Allein oppen druuëge veultj 'ne vès natigheid! (=Alleen op het droge voelt een vis nattigheid!)
  36. turnhouts: Leustert ollemoal iszier (=Aandacht allemaal)
  37. Brugs: ollemolle toope (=allemaal samen)
  38. Sint-Niklaas: allemoal tuggoar (=allemaal tesamen)
  39. Lovendegems: ze kunnen allemaal oplupen (=ze kunnen allemaal opdonderen)
  40. Allefs: As ut hooi ut perd achterna komt, willut gevrete worre (=Zij wil een man)
  41. Kinrooi: Mèt twieë kriegs te mieë gedachtj es allein gedaon! (=Met twee krijg je meer gedachten dan alleen gedaan!)
  42. Kinrooi: Eigelik kinne wae 't gelök allein mer es 't veurbiej is! (=Eigenlijk kennen wij het geluk alleen maar wanneer het voorbij is!)
  43. Tilburgs: alleej, haawdoe èn saluu(t) war ! (=nou vooruit, het ga je goed en tot ziens hè !)
  44. Antwerps: Allei, cirkulei, d'eraf of 'k zet oe deroep ! (=Vooruit, rij door, ga van dat (voetpad), of ik zet je op de bon !)
  45. Steins: moorziëlig allein (=eenzaam (heel erg))
  46. Haags: Ik breek je allebé je potûh, Ik trap je darme op een hoap, ik zuig je een aug uit, kruip in je reet en bét een stuk uit je hagt. (=Jij bent nog niet jarig)
  47. Waregems: allee, goen'aavnd, zulle! (=dat is mij te veel, ik haak af (protesthouding))
  48. Kinrooi: De kóns baeter get allein gaon fitsen es aan thoes ruzing make! (=Je kan beter alleen gaan fietsen dan thuis ruzie maken!)
  49. Gronings: doar komt gain gebak oet (=allemaal het zelfde)
  50. Brugs: 't zien klaps tegen den vaak (='t is allemaal tevergeefs)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen