Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` afk`

  1. de schop afkuisen (=stoppen met het werk)
  2. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  3. ergens bekaaid (van) afkomen (=een te lage prijs ervoor krijgen)
  4. het op zijn pantoffels/sloffen afkunnen (=het gemakkelijk aankunnen)

16 betekenissen bevatten ` afk`

  1. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  2. uit dezelfde klei gebakken zijn (=dezelfde afkomst hebben)
  3. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  4. het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
  5. in de grond boren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
  6. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
  7. mans genoeg zijn (=het wel alleen afkunnen)
  8. hoer en tollenaar zijn onze lieve Heer ook dierbaar (=hoe slecht je afkomst is, God houdt van je)
  9. zijn gal spuwen/uitbraken (=iets afkeuren en dat duidelijk laten merken)
  10. je mening niet onder stoelen of banken steken (=je mening niet verbergen, openlijk voor je standpunten uit durven komen, bij voorbeeld van afkeuring van iets)
  11. men moet geen struif om een ei bederven (=men moet het geheel niet afkeuren voor één gebrek)
  12. uit de goot opgeraapt (=van erg lage afkomst)
  13. uit een goed nest komen (=van goede afkomst zijn)
  14. uit het goede hout gesneden zijn (=van goede afkomst zijn / een goed karakter hebben)
  15. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  16. wat van apen komt wil luizen (wat van katten komt wil muizen) (=zijn afkomst kan men niet verloochenen)

Het dialectenwoordenboek kent 38 spreekwoorden met ` afk`

  1. Sint-Katelijne-Waver: Van de preekstoel vallen (=Huwelijk afkondiging in de kerk)
  2. Veurns: 't ert' ofsteek'n (=afkeer opwekken)
  3. Westerkwartiers: één ien 'e koart kiek'n (=iemands plannen afkijken)
  4. Veurns: 't Ert(e) ofsteek'n (=Een afkeer opwekken)
  5. Brakels: ne kiejr afkaap'n (=siesta nemen)
  6. Waregems: gij zijt ne goen gij! (=nu nog beter! (iemand afkeurend))
  7. Iepers: zijn schuppe afkussen (=ermee stoppen)
  8. Sint-Niklaas: 't zal nog gô verschoûnen!; kust noa min oûr! (=dat is het toppunt! (=afkeurend))
  9. Leeds: zèn schiep afkuisen (=weggaan)
  10. Gents: euw schuppe afkuischen (=weggaan , heengaan)
  11. Waregems: iemand nie kuinn zien (=afkeer voelen voor iemand)
  12. Waregems: 't e no(g) ne skooën! Ge zijt no(g) ne skooën gij! (=afkeuren wie niet meer meedoet (laf gedrag))
  13. Zeels: mijn schup afkuis'n (=weggaan, er vandoor gaan)
  14. Aspers: zn schuppe afkuisen (=vertrekken, weggaan)
  15. Waregems: ie é d'er ne grooi van (=hij heeft er een afkeer van)
  16. Giethoorns: As niets komt tot iets, wordt iets ,niets (=De afkomst verloochenen, Verwaand persoon)
  17. Deinzes: kgoa mijn schub afkuishen (=ik ben weg)
  18. Zeels: mijne zak afklopp'm (=stoppen met iets te doen)
  19. Kortrijks: em goan afkeuss'n (=iemand een lesje leren)
  20. Leissels: schorrie morrie (=van lage afkomst)
  21. Lebbeeks: rèzzekes: Rèzzekes afkappen (=Even gaan rusten)
  22. Buggenhouts: kgeun mè res afkappen (=ik ga even rusten)
  23. Diesters: ich goan mich effekes afkappe (=ik ga even slapen)
  24. Sinttruins: van moe zetje (=van waar bent u afkomstig)
  25. Hulsters (NL): zain spaai afkuisen (=naar huis gaan, ophouden met werken)
  26. Zottegems: schuppe afkuisen (=stoppen met werken)
  27. Lovendegems: zijn schup afkuisen (=ermee ophouden en weggaan*)
  28. Herns (Herne, VL-B): Zén schup afkosjen (=Er van door gaan)
  29. Hansbeeks: k goa mijn schubbe afkuis'n (=Ik ben er zo dadelijk vandoor)
  30. Liedekerks: zen biezen pakken , zen skip afkosjken (=zich uit de voeten maken)
  31. Weerts: 't is gein slecht kîndj, det nao zien vaader aartj (=iemand van goede afkomst)
  32. Aalsters: 'k gon mé en betjen afkappen (=ik ga een dutje doen)
  33. Achterhoeks: waor bu'j vaan ? (antw.: vleisch en butte) (=Hoe heet je / wat is je afkomst ? (achternaam / boerderijnaam))
  34. Ransts: het zal afkrapsel van muggepeutjes zen (=een mengeling waarvan men de samenstelling niet juist weet)
  35. Lokers: stront wie eet er ou gescheten? (=over een blasé persoon die zijn bescheiden afkomst ontkent)
  36. Klemskerks: de mooërt gestookng / gesteekng zien: om het leven gekomen zijn. Wordt vooral gezegd van ongedierte. Ook van personen van wie men een afkeer had (=de moord gestoken zijn)
  37. Gavers: De kolieren van Goavre (het woord is afkomstig van mannen die hemden droegen met stijve boorden) (=Gaverlingen (burgerij))
  38. Steins: Zèt eine kwakkert op eine stool, op den doer vilt er toch weer truuk in d'n pool ! (=afkomst valt niet te loochenen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen