Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


52 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` Zien`

  1. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te Zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  2. apen en beren op de weg Zien (=bezwaren zien)
  3. dat horen en Zien je vergaat (=erg luid)
  4. De beren Zien dansen (=Honger hebben)
  5. de hakken laten Zien (=zich uit de voeten maken)
  6. de horens laten Zien (=zich vijandig tonen)
  7. de kans schoon Zien (=van de gelegenheid gebruik maken)
  8. de tanden laten Zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  9. de zon in het water kunnen Zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  10. de zon niet in het water kunnen Zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  11. De zon niet in het water kunnen Zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  12. dode honden bijten niet (al Zien ze lelijk) (=van doden is geen gevaar te duchten)
  13. door de bomen het bos niet meer Zien (=door alle details het overzicht verliezen)
  14. door de bril van een ander Zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  15. er geen been in Zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  16. ergens geen brood in Zien (=niet denken dat iets kan werken)
  17. ergens geen gat in Zien (=er geen oplossing meer voor zien)
  18. ergens geen heil in Zien (=er geen voordeel in zien)
  19. eruit Zien als de dood van ieperen (=er bijzonder slecht uitzien)
  20. eruit Zien of men een paal ingeslikt heeft (=er erg stijf, harkerig uitzien)
  21. eruit Zien om door een ringetje te halen (=er keurig uitzien)
  22. geen hand voor ogen Zien (=zich in totale duisternis (of dichte mist) bevinden)
  23. groen Zien van jaloezie (=heel jaloers zijn)
  24. het achterste van je tong (niet) laten Zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  25. het licht doen Zien (=publiceren)
  26. het licht Zien (=geboren worden, ontstaan)
  27. het licht Zien (=begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep, een oplossing komt in zicht)
  28. Hij kan door een eiken plank Zien als er een gat in zit (=Hij is niet zo bijzonder als hij zich voordoet)
  29. horen Zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
  30. iemand de hielen laten Zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
  31. iemand naar de ogen Zien (=pas iets doen als de ander toestemming geeft)
  32. iemand naar de ogen Zien (=trachten zijn wensen te raden)
  33. iemand niet kunnen luchten of Zien (=een hekel aan iemand hebben)
  34. iemand of iets over het hoofd Zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
  35. iemand Zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
  36. Iets door de vingers Zien (=Iets oogluikend toestaan)
  37. iets door een gekleurde bril Zien (=op een bevooroordeelde manier naar de zaak kijken)
  38. iets over het hoofd Zien (=iets vergeten of ontbreken)
  39. in geen velden of wegen te Zien zijn (=iets is helemaal nergens te vinden)
  40. leeuwen en beren op de weg Zien (=bezwaren zien)
  41. liever iemand zijn hielen Zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  42. liever van achteren Zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
  43. niet verder Zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  44. onder ogen Zien (=inzien, aanvaarden)
  45. op de vingers Zien (=streng op iemand opletten)
  46. over het hoofd Zien (=vergeten, niet opmerken)
  47. te lui om uit zijn ogen te Zien (=erg lui)
  48. tegemoet Zien (=kunnen verwachten)
  49. wat baten kaars en bril als de uil niet Zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  50. zijn hielen laten Zien (=weggaan)

46 betekenissen bevatten ` Zien`

  1. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je Zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  2. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen Zien)
  3. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten Zien)
  4. als de maan vol is schijnt ze overal (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat Zien)
  5. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer Zien)
  6. apen en beren op de weg zien (=bezwaren Zien)
  7. leeuwen en beren op de weg zien (=bezwaren Zien)
  8. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen Zien)
  9. zo zwart zien als een moor (=bijzonder zwart Zien)
  10. Kijken als een hard geschilde aardappel (=Bleek Zien)
  11. water bij de wijn doen (=compromissen Zien te sluiten)
  12. achter de coulissen kijken (=de echte toestand Zien (ontdekken))
  13. ergens geen kijk op hebben (=de oplossing niet Zien)
  14. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment Zien)
  15. liefde is blind (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet Zien)
  16. Het beste paard van stal vergeten. (=Een belangrijk persoon over het hoofd Zien)
  17. een hard hoofd in iets hebben (=er geen oplossing in Zien)
  18. ergens geen gat in zien (=er geen oplossing meer voor Zien)
  19. ergens geen heil in zien (=er geen voordeel in Zien)
  20. een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in Zien)
  21. ergens oren naar hebben (=er wel iets in Zien)
  22. beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag Zien)
  23. er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat Zien dat de afzender iemand van belang is)
  24. met de ogen verslinden (=heel erg graag Zien)
  25. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te Zien)
  26. haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht Zien)
  27. iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet Zien)
  28. iemand op de proef stellen (=iemand testen om te Zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
  29. iemand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen Zien)
  30. Zien eten doet eten. (=Iemand Zien eten bevordert de eigen eetlust.)
  31. iets met lede ogen aanzien (=iets met tegenzin Zien gebeuren)
  32. oogkleppen dragen (=iets niet (willen) Zien)
  33. iets in de gaten krijgen (=iets ontdekken, iets Zien)
  34. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag Zien, maar ze hebben een eigen aard)
  35. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel Zien waar hij vandaan komt)
  36. iets niet met droge ogen kunnen aanzien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het Zien gebeuren van iets)
  37. meer pijlen op zijn boog hebben (=meer kunnen dan reeds laten Zien)
  38. met het blote oog (=met het oog te Zien, zonder hulpmiddelen)
  39. met een bord voor de kop lopen (=niet voor andere omstandigheden of Zienswijzen open staan)
  40. geen heil verwachten (=niets positiefs Zien)
  41. op de tast (=op het gevoel, zonder te Zien)
  42. wie het laatst lacht, lacht het best (=pas aan het einde kan je Zien we gewonnen heeft)
  43. een roze bril op hebben (=verliefd op iemand zijn en hierdoor zijn/haar mindere kanten niet Zien)
  44. poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even Zien, maar daarna is het voorbij)
  45. zijn ogen in zijn zak hebben (=zelfs het meest opzichtige niet Zien)
  46. onder ogen komen (=zich laten Zien)

Het dialectenwoordenboek kent 572 spreekwoorden met ` Zien`

  1. Walshoutems: zenne peire Zieng (=Af Zien)
  2. Genneps: Zienen ègge naod nääjje (=Eigengereid zijn)
  3. Steins: get aan Ziene bölles höbbe (=ergens zorgen over hebben)
  4. Weerts: e good vêrke vritj Ziene troog leeg (=geen eten weggooien)
  5. Steins: Dae ruukt neet gaer Ziene eige zweit (=Iemand die erg lui is)
  6. Budels: zienen haon moet boven kraaien (=hij moet altijd gelijk hebben)
  7. Bargoens: tot in de pruimentijd (=tot Ziens)
  8. Stellingwarfs: tot kiek es (=tot Ziens)
  9. Antwerps: 'kem eur alle oeke van de slopkamer late Zieng (=ik he haar alle hoeken van de kamer laten Zien, wilde sex gehad)
  10. Lichtervelds: toet in dn droaj (=tot Ziens)
  11. Zichers: Haddig he (=Tot Ziens)
  12. West-Vlaams: Ziene keldre valt in (=Hij boert)
  13. Lauws: j' i Ziene leeple weggesmeten (=Hij is gestorven)
  14. Genneps: Iemes ien Ziene nék schiete (=Iemand bedriegen)
  15. Izegems: j'eit Ziene lepel weggesmeten (=hij is gestorven)
  16. Drents: Tot een aandermaol; tot 'n anermaol (=Tot Ziens)
  17. Roois (Sint-Oedenrode): Houdoe wônne! (=Tot Ziens he!)
  18. Roeselaars: je peist dat de gebradde kiekens in Ziene mond goan vliegen (=hij denkt dat alles vanzelf gaat)
  19. Veurns: nie goeëd bie de Zien'n Zien (=niet goed wijs zijn)
  20. Genneps: kieke alsof hij Ziene lètste keutel geschéte hèt (=Verloren, en moedeloos zijn)
  21. Mestreechs: boe abraham Ziene mostard haolt (=waar abraham zijn mosterd haalt)
  22. Bilzers: waet laeve bemint és ziëker nie Ziende blind (=het leven is mooi voor hen die er de schoonheid van inzien)
  23. Antwerps: Ge zujt'em nogal Zieng Zieng as 'k em da doeng doeng mè se goe goed ! (=Dit zal hij niet graag doen !)
  24. Vriezenveens: Ziene katte is biätter as aondermaons kou (=Het zijne is altijd beter dan dat van een ander)
  25. Weerts: dae hieët de siês uut Ziene kop grujje (=iemand die veel facelifts heeft gehad)
  26. Mestreechs: heer houwt ziech Ziene gielis vól friete (=hij werkt heel wat friete naar binnen)
  27. Rotterdams: De mazzel (=Tot Ziens)
  28. Twents: mooi daj d'r wes bunt en wier komm'n (=fijn dat je er was en tot Ziens)
  29. Steins: dae huit zich get oet Ziene nek (=Die kun je niet alles geloven)
  30. Ronsisch: Iemand aan Ziene collei schieren (=Iemand te pakken krijgen)
  31. Rekem: op Ziene kroemenak dragen (=op zijn schouders dragen)
  32. Oudenbosch: at waor is Zienge ze in de kerk (=het is maar de vraag of dat waar is)
  33. Oudenbosch: gij Ziengt tut mooi , gij kun me wa (=jij weet het mooi te vertellen)
  34. Weerts: de deugd van e vêrke is pas nao Zienen doeëd te mêrke (=na je dood word je pas erkend)
  35. Twents: Wee Ziene oogn nich lös döt, möt vaak de knip lös doon (=Wie z'n ogen niet openhoudt, moet vaak de portemonnee trekken)
  36. Steins: get aan Ziene fits höbbe (=ergens zorgen over hebben)
  37. Waregems: ie woa nie te Ziene (=hij was niet aanwezig (tactisch))
  38. Genneps: Óp Ziene pé.ns kriege (=Op zijn donder krijgen)
  39. Weerts: eeme op Ziene dèk houwe (=slaag geven)
  40. Genneps: Alles op Zienen tied en boekende koe.k ien d'n herfst (=alles op zijn tijd)
  41. Kerkdriels: tot de pruimetijd wor (=tot Ziens)
  42. Deinzes: de leude (=tot Ziens, amuseer jullie nog)
  43. Zaans: Je Ziene der oit as een voil hemd (=Je ziet bleek, pips)
  44. Oudenbosch: da Zien we tege dieje tijd wel (=dat Zien we later wel)
  45. Sint-Niklaas: mè geen ogen te Zien (=nergens te Zien zijn)
  46. Rotterdams: hee Lange, issut koud bofe (=een lange kerel Zien)
  47. Evergems: Bleuzn lijk 't zop van een roabe (=Lijkbleek Zien)
  48. Antwerps: geziegeterbegoton (=het is er echt aan te Zien)
  49. Bilzers: zen ooge de kos gaeve (=alles Zien)
  50. Zeeuws: ie zie zo roead as een sloter (=rood Zien)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen