Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` Zeg`

  1. boe noch bah Zeggen (=niets zeggen)
  2. daar kun je donder op Zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
  3. de drager kan het beste Zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  4. geen ja en geen neen Zeggen (=nog twijfelen aan het antwoord)
  5. geen kip meer kunnen Zeggen (=zoveel hebben gegeten dat je niets meer kan eten. Volkomen verzadigd)
  6. geen pap meer kunnen Zeggen (=verzadigd zijn)
  7. iemand ongesuikerd Zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  8. iemand ongezouten de waarheid Zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  9. iets niet tegen/aan dovemans oren Zeggen (=iets wordt erg goed onthouden)
  10. iets tussen neus en lippen Zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
  11. iets Zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  12. ja en amen Zeggen (=kritiekloos instemmen)
  13. kinderen zijn een Zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
  14. ongesuikerd Zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  15. op hoop van Zegen (=in de hoop dat het lukt)
  16. waar je u tegen Zegt (=wat absoluut de moeite waard is)
  17. weet wat je Zegt, maar Zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
  18. wie a Zegt moet ook b Zeggen (=als je eenmaal ergens aan begonnen bent, moet je het ook afmaken)
  19. zeggen wat je doet en doen wat je Zegt (=proactief communiceren en je houden aan toezeggingen)
  20. zijn Zegel aan iets hechten (=goedkeuring of toestemming ergens aan geven)

91 betekenissen bevatten ` Zeg`

  1. voor de ganzen preken (=aan dovemans oren Zeggen)
  2. al het goede komt van boven (=alle Zegen komt van god)
  3. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets Zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  4. wie zwijgt, stemt toe (=als je het ergens niet mee eens bent, moet je het Zeggen)
  5. uitstel is geen afstel (=als je iets uitstelt wil dat nog niet Zeggen dat je het nooit meer gaat doen)
  6. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men Zegt dat ze het niets kan schelen)
  7. of je worst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` Zegt)
  8. dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België Zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
  9. id est (=dat wil Zeggen)
  10. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het Zeggen hebben)
  11. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het Zeggen hebben)
  12. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas Zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  13. zoete broodjes bakken (=dingen Zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  14. het hart op de tong dragen (=direct Zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  15. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het Zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  16. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid Zeggen)
  17. het beestje bij zijn naam noemen (=duidelijk en precies Zeggen hoe je over iets of iemand denkt; precies Zeggen hoe iets zit)
  18. iemand de les lezen (=duidelijk Zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)
  19. onder de neus wrijven (=duidelijk Zeggen wat er van gevonden wordt)
  20. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen Zeggen)
  21. er het zwijgen toe doen (=er niets over Zeggen)
  22. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen Zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  23. over het paard tillen (=er te veel goeds van Zeggen / verwend en geprezen zijn)
  24. een vinger in de pap hebben (=ergens iets in te Zeggen hebben, invloed hebben)
  25. zwijgen als het graf (=helemaal niets Zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  26. zwijgen in alle talen (=helemaal niets Zeggen, niets van zich laten horen)
  27. makkelijker gezegd dan gedaan (=het is eenvoudiger om iets te Zeggen dan om het ook daadwerkelijk uit te voeren)
  28. het op de lippen hebben (=het net willen Zeggen)
  29. fiat justitia (=het recht moet Zegevieren)
  30. fiat justitia et pereat mundus (=het recht moet Zegevieren ook al vergaat de wereld)
  31. een vogel kent men aan zijn veren (=het uitwendige Zegt ook iets over de aard, het karakter)
  32. de lakens uitdelen (=het voor het Zeggen hebben, de baas spelen)
  33. zo droog als een haring (=hij Zegt bijna niks)
  34. zo gesloten als een oester (mossel) (=hij Zegt weinig en laat niets los)
  35. hij zeit wat (=honend gezegd van iemand die iets stoms Zegt)
  36. zo stom als een vis (=iemand die geen woord Zegt)
  37. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te Zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  38. iemand zijn vet geven (=iemand flink de waarheid Zeggen)
  39. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes Zeggen, heimelijk laten weten)
  40. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid Zeggen)
  41. iemand de mond snoeren (=iemand verbieden iets te Zeggen / tot zwijgen brengen)
  42. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand Zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  43. iemand de oren wassen (=iemand Zeggen wat die fout gedaan heeft)
  44. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met woorden kunnen Zeggen)
  45. uit de school klappen (=iets vertellen wat men niet mag Zeggen)
  46. de pil vergulden (=iets vervelends op zo vriendelijk mogelijke manier Zeggen)
  47. iets zeggen om de kool (=iets Zeggen voor de grap)
  48. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je Zegt als er kinderen bij zijn)
  49. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies Zeggen hoe we denken over de ander)
  50. zijn mond voorbij praten (=meer Zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)

Het dialectenwoordenboek kent 351 spreekwoorden met ` Zeg`

  1. denderleeuws: zeegdabewourda (=god Zegene u)
  2. Gents: wa Zegde ? wadadde (=wat Zegt u ?)
  3. Bocholtz: ziegele (=zegels)
  4. Waregems: 't es te Zegn (=dit wil Zeggen (dwz.))
  5. Oudenhoofs: Tcheneworre (=God Zegene en beware u)
  6. Hulsters (NL): tis te Zegghen (=dat wil Zeggen)
  7. Waregems: olleman Zegge 't deure! (=ieder Zegge het voort!)
  8. Barnevelds: hoe kajie da noe Zeggn (=hoe kan je dat nou Zeggen)
  9. west-vlaams: ti lik ofdaketik Zegn (=het is zoals ik het Zeg)
  10. Roois (Sint-Oedenrode): Wa Zegde/zinde gij? (=Wat Zegt /zei/ jij / u?)
  11. Sint-joasters: besjeid Zegke (=bericht geven)
  12. Prinsenbeek: Zak mar Zegge (=zal ik maar Zeggen)
  13. Westerkwartiers: zij 's niet op heur mondje vaal'n (=zij kan haar Zegje goed doen)
  14. Gronings: veul Zegen / veul haail en Zegen in t nijjoar (=gelukkig nieuwjaar)
  15. Margratens: der Zege kriege (=goedkeuring krijgen)
  16. Rotterdams: Wah Zeggie? Azzie vaw dan leggie (=Wat Zeg je? Als je valt dan lig je.)
  17. Veurns: 't zien mo Zegg'nde wooërd’n (=niets is gescheven of ondertekend)
  18. Lichtervelds: tis van oîrn Zeggn, oak liege ist van oîrn Zeggn dak liege (=ik heb het gehoord)
  19. West-Vlaams: 'd zeegn tje (e bewoare je) (=God Zegene je (en bewaart je))
  20. Veurns: 't Is etwot te Zegg'n (=Het is nogal wat!)
  21. Machels (Zulte): t'seentse waore (=God Zegen en bewaar u)
  22. Westerkwartiers: wel 't wiet maag 't Zegg'n (=wie het weet mag het Zeggen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: de gebroje hinne valle autte loch (=alle Zegen komt van boven)
  24. Iepers: ke kun'ik gin pap mi Zeggn (=genoeg gegeten hebben)
  25. Veurns: 't gon Zegn zien (=vertrokken zijn)
  26. Westlands: wat Zeggie alsie valt dan leggie (=wat Zeg jij, ik kan je niet verstaan)
  27. Waregems: 't 'n es gieën Zeg'n an (=argumenten/herhalingen zijn tevergeefs)
  28. Zichers: genein nemé Zegge (=verbaasd zijn)
  29. Betuws: in avuzoath Zeggé wie alted moar dekke mó je (=in avezaath Zeggen we altijd maar zo nueken moet je)
  30. Munsterbilzen - Minsters: de Zege hëbbe (=de instemming krijgen)
  31. Westfries: stugge Zegger (=recht voor zijn raap praten)
  32. Lummens: seg mtske, ich mot oche eit Zegge (=zeg meisje ik moet u iets vertellen)
  33. Westerkwartiers: wel 't wiet maag 't Zegg'n (=weten - wie het weet mag het Zeggen)
  34. Waregems: ie ee 't vooër 't Zegn (=hij is de leidinggevende)
  35. Nuths: Kal neet tieegen ein ouves moel . (=Bij zo een harde schreeuwer kun je beter niks Zeggen.Laat een schreuwer maar doen.)
  36. Rotterdams: ken je nie Zegge, wat mot je (=wat)
  37. Westerkwartiers: dat was op 't hap-zegg'n (=dat was net op tijd)
  38. Veurns: Gin pap meeë kunn'n Zegg'n (=Heel moe zijnb)
  39. Waregems: iemand oytmokn veur vorte vis/iemand zijn zoaligheid Zegg'n (=iemand beschimpen)
  40. Westerkwartiers: kinst dat nog es Zegg'n ? (=kun je dat herhalen ?)
  41. Lichtervelds: tis simple lik goendag Zeggn int Frans (=het is heel eenvoudig)
  42. Lichtervelds: je kan gièèn pap mièè Zeggn (=hij is oververmoeid)
  43. Oudenbosch: gaotur nou nie om-eene draaie (=zeg wat je wilt Zeggen)
  44. Weldens: zoals mijn grootmoeder altijd Zegde\r\nhet konijnenkot is wepel!\r\n\r\nDidier (='t konenekot is wepel)
  45. Veurns: gin pap meeë kunn'n Zegg'n (=bekaf, buiten adem zijn)
  46. Hulshouts: zegt zuweïet ni (=zeg zoiets niet)
  47. Waregems: g' eet ier niets te Zegn! (=jij hebt hier geen spreekrecht!)
  48. Westerkwartiers: zeg was't dust, en doe was't zei'st (=zeg wat je doet, en doe wat je Zegt)
  49. Westerkwartiers: met Zegg'n komt 't niet kloar (=met praten alleen kom het niet klaar)
  50. Zaans: Doen wat je Zegge, den liege je niet (=Je doet maar!)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen