Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


34 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` Woor`

  1. daar is geen Woord Frans/Latijn/Chinees bij (=iedereen kan dat begrijpen)
  2. dat staat niet in zijn Woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  3. de daad bij het Woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
  4. de Woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  5. doe wel naar mijn Woorden, maar ziet niet naar mijn daden (=ik geef raad waar je je het beste aan kan houden, maar ik doe het zelf niet)
  6. een goed verstaander heeft maar een half Woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  7. een goed Woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  8. een man een man, een Woord een Woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  9. een Woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  10. een Woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  11. ergens geen Woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  12. gevleugelde Woorden (=veel gebruikte uitdrukking)
  13. goed zijn Woord kunnen doen (=een vlotte prater zijn)
  14. het ene Woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  15. het harde Woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  16. het hoge Woord is er uit (=het onaangename is gezegd)
  17. het hoogste Woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
  18. het laatste Woord willen hebben (=de baas willen zijn)
  19. het Woord hebben (=in een gesprek aan beurt zijn)
  20. het Woord voeren (=spreken (als afgevaardigde door anderen))
  21. iemand aan zijn Woord houden (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  22. iemand de Woorden uit de mond halen (=voor een ander spreken)
  23. iemand te Woord staan (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
  24. met iemands Woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  25. naar zijn Woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  26. te Woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  27. uit wiens hand men eet wiens Woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  28. voor geen geld of goede Woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  29. wiens brood men eet, diens Woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  30. Wiens brood men eet, diens Woord men spreekt. (=Men pacteert met hen van wie men afhankelijk is.)
  31. zijn Woord gestand doen (=doen wat iemand beloofd heeft)
  32. zijn Woorden inslikken (=niet uitspreken)
  33. zijn Woorden kauwen (=eerst nadenken en dan pas spreken)
  34. zijn Woorden op een goudschaaltje wegen (=uiterst weloverwogen spreken)

27 betekenissen bevatten ` Woor`

  1. daar zal wat zwaaien (=daar zal een hartig Woordje gesproken worden)
  2. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke Woorden leven)
  3. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste Woord)
  4. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of Woordvoerder van de groep)
  5. het gras voor de voeten wegmaaien (=de Woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  6. kreupel wil altijd voordansen (=de zwaksten willen het hoge Woord hebben)
  7. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke Woorden)
  8. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met Woorden)
  9. hoog van de toren blazen (=het grote Woord willen hebben / opscheppen)
  10. de boventoon voeren (=het hoogste Woord hebben)
  11. de eerste viool spelen (=het hoogste Woord hebben en de baas spelen)
  12. hij kan praten als Brugman (=hij kan makkelijk met veel Woorden een min of meer overtuigend verhaal afsteken)
  13. zo stom als een vis (=iemand die geen Woord zegt)
  14. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of Woorden straffen)
  15. iemand geloven bij ja en neen (=iemand op zijn Woord geloven)
  16. met geen pen te beschrijven zijn (=iets niet met Woorden kunnen zeggen)
  17. de melk optrekken (=je Woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  18. het puntje van een scherpe pen is `t felste wapen dat ik ken (=met een kritisch Woord kan het meest worden bereikt)
  19. daar helpt geen lievemoederen/moedertje lief aan (=niets helpt, ook vriendelijke Woorden niet)
  20. in de rede vallen (=onderbreken, het Woord ontnemen)
  21. in voce (=op dat Woord)
  22. met stomheid geslagen (=plotseling geen Woord meer kunnen zeggen)
  23. als het bier is in de man dan is de wijsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige Woorden)
  24. veel geblaat/geschreeuw maar weinig wol (=veel Woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht)
  25. weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet (=wees voorzichtig met Woorden en je informatie)
  26. zijn kruit op de mussen verschieten (=zijn Woorden verspillen)
  27. zonder complimenten (=zonder meer, zonder er verder nog Woorden aan vuil te maken)

Het dialectenwoordenboek kent 58 spreekwoorden met ` Woor`

  1. Antwerps: me aander Woorde (=dat wil zeggen)
  2. Aalsters: woorom zejje dwees? (=Waarom ben je lastig?)
  3. Merenaars: 't es stillekes wur dat nujet ni woeët (=er valt overal wel eens een Woordje)
  4. Waregems: een Woordse placeer'n (=even (kort) het Woord nemen)
  5. kortemarks: der zit doar e scheete verdroajd (=ze hadden een Woordenwisseling)
  6. Zottegems: woor est te doen (=waar is het)
  7. Aalsters: woor zitj a mokke? (=waar is u vriendin?)
  8. Oudenbosch: woordstreke uitaole , (=gewin halen uit streekwoorden ,)
  9. Steins: 'ns flink veur ziene priester gaeve (=iemand Woordelijk op zijn nummer zetten)
  10. Aalsters: Est ni Woor, mé schoap ? (=Is dat niet zo, lieve vriendin ?)
  11. Ransts: tis pertang Woor (=het is zeer zeker waar)
  12. Gents: da zulde (zoede) wel gewoare Woorde (=dat zal je wel merken)
  13. Sallands: Luu die völle te zeng hebt, gebruukt weinig Woorn. (=Mensen die veel te zeggen hebben, gebruiken weinig Woorden.)
  14. Aalsters: Woor da 'tn drank es, ester e fisjtjen (=Waar er drank is, is er feest.)
  15. Westerkwartiers: 'n harteg Woordje met één proat'n (=iemand streng toespreken)
  16. Klemskerks: feteurlik, zei tn, en je reeë' med een oendekarre (traditionele zei-spreuk, gebruikt als humoristische Woordspeling op 'natuurlijk!' in de zin van 'uiteraard, vanzelfsprekend') (=voituurlijk, zei hij, en hij reed met een hondenkar)
  17. Weerts: eva in 't paradiês Woor d'r 'n begien beej (=heel erg opvallend iemand proberen te versieren)
  18. Munsterbilzen - Minsters: iemes noëmaule (=iemand Woorden in kwade luim herhalen)
  19. Westerkwartiers: da's bij de knorhoan'n om oaf (=dat is te gek voor Woorden)
  20. Iepers: je toenge deur je gat trekken (=terugkeren op je Woorden)
  21. Oudenbosch: daor is wa dafgescholle (=daar heeft men vaak Woorden gehad)
  22. Melseels: zijne kak intrekken (=op zijn Woorden of beslissing terugkomen)
  23. Munsterbilzen - Minsters: Ich hoch ielk honsgezeek ambras iëver men zweetpatees (=ik kreeg altijd Woorden over mijn zweetvoeten)
  24. Horster: dat is meej te gortig (=dat is te gek voor Woorden)
  25. Waregems: dad es 't toppuint! (=daar zijn geen Woorden voor!(verontwaardigd))
  26. Waregems: 'k oa d'n ap ipgeetn (=mijn Woorden vielen niet in goede aarde)
  27. Brussels: Amplojeit zou veul Franse woude ni, de Vlomse langosje es abbondant genoeg (=Gebruik zo veel Franse Woorden niet, de vlaamse taal is rijk genoeg)
  28. Zeeuws: Dá bin mae zéhhende Woorden ( zuid-Beveland) (=dat zijn maar geruchten)
  29. Gronings: nait soezen moar broezen (=geen Woorden maar daden)
  30. Overijses: da koende ni oitlije (=daar zijn geen Woorden voor)
  31. Gents: kstoa mee mane moend vol tanden (=iemand die de juiste Woorden niet vind)
  32. Twents: Met proat`n ko`j mangs meer schade aanrichten as met nen groot`n knuppel. (=Met Woorden kun je meer schade aanrichten dan met een grote knuppel.)
  33. Waregems: zwijg vooër dooëd! (=laat geen Woord los hierover!)
  34. Bilzers: e woëd van ne kilau (=een gewichtig Woord)
  35. tervurens: aa klapt gien bakkes Vloms (=hij spreekt geen Woord Vlaams (bv))
  36. Waregems: parlesant'n (=aan het Woord zijn maar zonder inhoud)
  37. Westerkwartiers: hij het altied de bek veuraan (=hij heeft altijd het grootste Woord)
  38. Westerkwartiers: hij het moar 'n klein hartje (=hij heeft een groot Woord maar is week van binnen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: bau n hin dab, pikse (=wiens brood men eet, diens Woord men spreekt)
  40. Lebbeeks: tellevies: D'n tellevies masjeer ni (als het over machines gaat gebruik je het Woord masjeer) (=De televisie werkt niet)
  41. Westerkwartiers: hij wil d'r gien Woord van hemm'n (=hij wil er niet over praten)
  42. Mestreechs: toen pisse plasse Woord is 't gezeik begonne (=toen pissen plassen werd is het gezeik begonnen)
  43. Munsterbilzen - Minsters: haaj hètter e graut bakkes, mèr te zeines likter onder de sloef (=hier voert hij het hogge Woord en thuis heeft hij niets te zeggen)
  44. Veurns: ze stèèrt intrekk'n (=zijn Woord terugnemen)
  45. Westerkwartiers: doar is gien Woord fraans bij (=dat is duidelijke taal)
  46. Texels: Hee kon gien Woord uutbrenge fon skrik en olterasie (=Met stomheid geslagen zijn)
  47. Dilbeeks: das e raal wout (=dat is een eigenaardig Woord)
  48. Bilzers: haenke de viëste spiële (=altijd het laatste Woord hebben)
  49. Munsterbilzen - Minsters: e woëd èsse woëd (=een gegeven Woord moet je houden)
  50. Moes: dat es noga t'iën en t'ander (=daar is het laatste Woord nog niet over gezegd)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen