Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

32 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` Oor`

  1. aan een Oor doof zijn (=iets niet willen horen)
  2. als een blinde over de kleuren Oordelen (=spreken alsof men een kenner is, over iets waar men niets van weet)
  3. een geplaveide weg is des duivels Oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  4. een gezicht als een Oorwurm trekken (=erg ontevreden kijken (omdat er bijv. iets gedaan moet worden))
  5. een leven als een Oordeel (=een verschrikkelijk lawaai)
  6. Een Oorblazer (=Een kwaadspreker)
  7. een snee in het Oor hebben (=dronken zijn)
  8. er over Oordelen als een blinde over de kleuren (=erover oordelen zonder kennis van zaken)
  9. geheel Oor zijn (=heel goed opletten - goed luisteren)
  10. het ene Oor in, het andere weer uit (=het wel horen en meteen weer vergeten)
  11. het is op een Oor na gevild (=het is bijna klaar. Het is bijna achter de rug)
  12. het Oor lenen (=luisteren)
  13. het Oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
  14. het Oor strelen (=aangenaam in de oren klinken)
  15. het varken is op een Oor na gevild/gewassen (=het is bijna klaar)
  16. hij kijkt alsof hij zijn laatste Oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een oord is een oude munt))
  17. hij zou een Oortje in vieren bijten (=hij is erg gierig)
  18. iemand een Oor aannaaien (=iemand oplichten)
  19. iemand iets in het Oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
  20. iemand iets in het Oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  21. iemand spreken door het Oor van een turfmand (=iemand heimelijk spreken, zodat niemand anders het hoort)
  22. iets in het Oor knopen (=iets goed onthouden)
  23. in het Oor fluisteren (=zachtjes (heimelijk) zeggen)
  24. kleine Oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  25. ledigheid is des duivels Oorkussen (=niets te doen hebben leidt tot misdaden)
  26. met een half Oor (=maar half luisterend)
  27. op een Oor na gevild zijn (=bijna in orde zijn)
  28. op voet van Oorlog zijn/leven (=erge ruzie hebben)
  29. wie voor het Oortje geboren is, zal tot de stuiver niet geraken (=wie in een lage sociale klasse geboren is, zal niet in een hogere sociale klasse terechtkomen)
  30. woorden zijn geen Oorden (=met praten bereiken we niets)
  31. zijn Oor te luisteren leggen (=informeren)
  32. zitten alsof men een luis in zijn Oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)

11 betekenissen bevatten ` Oor`

  1. bij de tekst blijven (=bij het Oorspronkelijke plan blijven)
  2. als het water zakt, kraakt het ijs (=elke Oorzaak heeft gevolgen)
  3. achter iets zitten (=er de Oorzaak van zijn)
  4. er over oordelen als een blinde over de kleuren (=erover Oordelen zonder kennis van zaken)
  5. dweilen met de kraan open (=geen kans op succes hebben, omdat men de symptomen bestrijdt zonder de Oorzaak aan te pakken)
  6. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de Oorsprong trachten uit te roeien)
  7. hij kijkt alsof hij zijn laatste oortje versnoept heeft (=hij kijkt heel ongelukkig (een Oord is een oude munt))
  8. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat Oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  9. in troebel water is het goed vissen (=in tijden van onlust of Oorlog kan men gemakkelijk voordelen halen)
  10. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn Oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  11. zich op de vlakte houden (=zich niet te veel met de zaak bemoeien, geen duidelijk Oordeel geven)

Het dialectenwoordenboek kent 43 spreekwoorden met ` Oor`

  1. Berlaars: ooreg weurre (=draaierig worden)
  2. Sittards: Zoo zaat zeen wie ein Oorlogssjeep (=straalbezopen zijn)
  3. Genneps: ooreemes zie.n (=dood, stuk gaan)
  4. Twents: de Oor'n luk kort an 'n kop hebb'n zitt'n (=lichtgeraakt zijn)
  5. West-Vlaams: eenn leven lik een Duutschen Oorloge (=een hels lawaai)
  6. Weerts: raengel veur acht Oore zal zêldje lang doore (=weerspreuk)
  7. Genneps: den Oore hal.de (=een dutje doen)
  8. Genneps: D'n Oore ha.lde (=Een uiltje knappen, dutje doen)
  9. Westerkwartiers: hij et me de Oor'n van 'e kop (=hij eet nogal veel)
  10. Drents Kanoals: die het Oor'n veur 'n brille (=iemand die niet goed luistert)
  11. Waregems: entwa weet'n van Oor'n ze(g)n (=iets weten via via)
  12. Achterhoeks: i-j könt iemand wal veur de kop -, maor neet in de kop kieken (=iemand niet tegauw Oordelen.)
  13. Drents: As Geesiemeu 't Ooriezer opzet moew (hen heuien) (=Als het mooi weer wordt moeten we .....)
  14. Leids: Juh, ken je nog wat met je Ooren dan? (=Sloof je niet zo uit)
  15. Drents: 't Aol mèens zet 't Ooriezer op, de zunne giet skien (=de zon gaat schijnen)
  16. Bilzers: ne bliëker (=kandelaar met Oor)
  17. Zaans: Effies kloke (=Zijn Oor te luisteren leggen)
  18. Twents: um ene an'rek'n- striekerd an de Oor'n doon. (=Hem om de oren slaan)
  19. Twents: is nog nig dreug achter de Oor'n (=heeft nog niet voldoende ervaring)
  20. Sint-Niklaas: 'k was gepakt as ik Oordun da zèn broer dood was (=door iets getroffen zijn, verdriet hebben)
  21. Waalwijks: un Oor oannaaie (=bedonderen)
  22. Westerkwartiers: hij ston d'r op 'e neus en Oor'n bij (=hij stond er heel dicht bij)
  23. Waregems: em an z'n ooëre trekk'n veur... (=hem iets in het Oor bijten)
  24. Westfries: hij heeft een sneetje in z'n Oor (=iemand die dronken is)
  25. Zaamslags: dasoek un portret Oor (=dat is een typisch mens)
  26. Boxtels: Iemans un Oor aon naaie (=Iemand een hak zetten.)
  27. Zeeuws: kpakke je bie je kladden Oor (=pakken)
  28. Iepers: tzit en Oor in de beuter (=t' gaat slecht)
  29. Volendams: geuf erg Oor (=kijk je uit)
  30. Bilzers: omdattet gee waer wor vërnen hond dër te jaoge, stuurdeter zen kat (=oor weersomstandigheden kwam hij niet opdagen)
  31. Westerkwartiers: 't ging bij 'em 't ene Oor ien en 't aaner Oor uut (=hij luisterde niet met aandacht)
  32. Zeeuws: opassen Oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij)
  33. Drents: Die hef een (dikke) snee in 't Oor/neuze (=Dronken zijn)
  34. Genneps: Ik gaoj op éé'n Oor (=Ik ga slapen)
  35. Leids: ja Oor! (=Als iemand je niet heeft verstaan)
  36. Sint-Niklaas: mijn Oor ja! (=ik geloof niet dat het waar is)
  37. Zaans: Wel 'oor, de pook hangt staif achter de kachel (=Antwoord op de vraag: Vriest het?)
  38. Westerkwartiers: moest doar dien Oor es te luuster legg'n (=je moet daar eens goed opletten)
  39. Weerts: de daag gaon linge met dri-jkuuëninge e keteer, met Sint Tuuënes 'n Oor, met Leëchtmès twieë, dan tèltj me neë mieë (=weerspreuk)
  40. West-vlaams: J' es moa g'acht lik 't Oor an zin skoen (=Hij wordt volledig miskend. (hij is maar geacht als de modder aan zijn schoenen))
  41. Brees: Viëf Oor heb ik ut kink van de buüre huüre meêke (=Vijf uur heb ik het kind van de buren horen wenen)
  42. Westfries: 't most weer us Oorlog worre (=reactie op de vermeende verwendheid van de huidige generatie)
  43. Maasbrees: as het no 5 Oor drug blift hebben de ouj wiever kirmis (=als het na 5uur ophoud met regen blijft het voor die dag droog)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen