Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

Eén spreekwoord bevat ` GANS`

  1. met je hoed in je hand kom je door het GANSe land (maar met je pet op je test kom je er ook best) (=met beleefdheid kun je veel bereiken)

Het dialectenwoordenboek kent 28 spreekwoorden met ` GANS`

  1. Bilzers: zen heil hébben en haage (=zijn GANSe bezit)
  2. Brugs: heeël zun santeboetiek (=zijn GANSe hebben en houden)
  3. Brugs: mê heeël zun santeboetiek (=met zijn GANSe hebben en houden)
  4. Ninoofs: moeier memmekes (=moeder de GANS - moeder weet al)
  5. Nijlens: meehiejel zanen bataklang (=met GANS zijn hebben en houden)
  6. Gents: giel de wireld (=gans de wereld)
  7. Zaans: met je pet op je test kom je der ok best (=met de hoed in de hand komt men door 't GANSe land)
  8. Leeds: van ensj tenenje (=over de GANSe lengte (van vb een stuk land, een tuin)
  9. Steins: Gans van de wap aaf zeen. (=Helemaal van slag zijn.)
  10. Bilzers: Noë nen oëved zaupe, maug ich nogés trop kraupe (=Als mensen dronken zijn kunnen ze de GANSe wereld aan)
  11. Venloos: die hebbe eine GANSe koedeljach (=die hebben veel kinderen)
  12. Gents: ne guulen trok (=een GANS eind)
  13. Steins: bès tich noe GANS beklop? (=ben je nu helemaal betoeterd?)
  14. Munsterbilzen - Minsters: wiltet èn juli nie heete, dan zulste èn augustes wol zweete (=geeft begin juli regen, dan valt de GANSe maakt tegen)
  15. Munsterbilzen - Minsters: daaj hèt gesloeëpe waaj nen os (=zij heeft de GANSe nacht gesnurkt)
  16. Bilzers: Lik zen eege hiëfke sjaun te glore, dan zal t onkraud van de geboere dich nie bekore (=Als iedereen voor zijn eigen deur keert, is de GANSe straat schoon)
  17. Mestreechs: iech versjoot GANS de vaan, iech versjrok mieg kepot, iech staon stief vaan de sjrik, (=zich verschrikken)
  18. Susters: he tik neet GANS richtig (=hij heeft ze niet allemaal op een rijtje)
  19. Meerhouts (Gestel): nen hiejelen oaker petetten oan énnen buist en da fleus tegen de zitterse stiejeweg (of boan) (=een GANSe emmer aardappelen aan één struik en dat straks tegen de zittaartse steenweg)
  20. Liemers: En meh de pet in de taes kom je d`r ook baes. (=Met de hoed in de hand komt men door het GANSe land)
  21. Tegels: Dae is neet GANS richtig (=Hij is niet goed wijs)
  22. Leopoldsburgs: Gans af / bom / vies bom (=Dit is geweldig)
  23. Steins: Ich bèn GANS oetereine (=ik ben de kluts kwijt)
  24. Mestreechs: iech waors GANS verpopzak (=ik was helemaal verbaasd)
  25. Munsterbilzen - Minsters: aste koeëletraajn verbij wor, moeste vër GANSe tüp kiëlkes gon raope wo van de traajn worre gevalle (=onze kolenvoorraad werd aangevuld door het rapen van stukjes kolen die van de trein donderden)
  26. Meerhouts (Gestel): nen eljen emmer petetten oan énnen buist en da fleus tegen de zitterse steweg (=een GANSe emmer aardappelen aan één struik en dat straks tegen de zittaartse steenweg)
  27. Limburgs: Doe kins mich GANS de bäumen in (=je kan me de bomen in , je bent helemaal gek)
  28. Munsterbilzen - Minsters: waaj vër nog joenk worre moeste vër èn de bës on de deense waajers GANSe zek foenkelhoot, sjots en denneknüp gon raope (=in onze jeugdjaren moesten we van onze ouders heel wat zakken kleinhout, boomschors en dennenappels gaan rapen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen