Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


72 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` ETEN`

  1. Al ETENde krijgt men trek / honger. (=Al etende krijgt men steeds meer trek (ook figuurlijk).)
  2. Als de boter duur wordt, leert men het brood droog ETEN. (=Als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  3. Altijd brood ETEN verdriet ook. (=Een mens wil ook eens een verzetje.)
  4. Bakkerskinderen ETEN oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  5. Beter thuis rapen ETEN dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
  6. Bij kleine hapjes leert men een hond ETEN. (=Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  7. Bij kleine lapjes leert men de hond leer ETEN. (=Geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  8. Boontjes uit water ETEN. (=Een eenvoudige maaltijd.)
  9. Boter op je hoofd smeren en droog brood ETEN. (=In de war zijn.)
  10. Dat is het hele eieren ETEN. (=Zo zit de zaak in elkaar.)
  11. De ganzen geloven niet dat de kuikens hooi ETEN. (=Zelfs bij domme mensen vinden ongerijmdheden geen geloof.)
  12. de grote vissen ETEN de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  13. die niet werkt, zal niet ETEN (=wie bewust niet wil werken heeft geen recht op geld)
  14. Die werkt als een paard zal haver ETEN. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  15. Die werkt als een paard zal haver ETEN. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  16. Eerst ETEN dan kwijlen. (=Eerst leven dan filosoferen.)
  17. Eerst komt het ETEN dan de moraal. (=Overleven is belangrijker dan het volgen van regels.)
  18. ergens peper aan ETEN (=duur betalen)
  19. geef een man een vis dan heeft hij die dag te ETEN (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  20. genadebrood ETEN (=door anderen onderhouden worden)
  21. Het ETEN is niet te pruimen. (=het smaakt niet)
  22. Het ETEN niet meer op kunnen. (=Spoedig moeten sterven.)
  23. Het is sop en gekookt ETEN. (=Het is hetzelfde.)
  24. Het leven is meer dan ETEN en drinken. (=Alleen eten en drinken vult geen leven.)
  25. Hij kan meer dan alleen brood ETEN. (=Verstand van zaken.)
  26. hij kan meer dan brood ETEN (=hij weet veel)
  27. Hij laat zich de kaas niet van het brood ETEN. (=Opkomen voor iets.)
  28. Hij moet droog brood ETEN. (=Hij moet erg zuinig zijn, het gaat hem financieel slecht.)
  29. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem ETEN wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  30. iemand de oren van het hoofd ETEN (=bij iemand erg veel eten)
  31. Iemand de oren van het hoofd ETEN. (=Zeer veel eten.)
  32. Je bent om op te ETEN (met boter en suiker). (=Beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
  33. Je kunt wel alleen ETEN, maar niet alleen werken. (=Men moet goed voor het personeel zijn.)
  34. Je mag wel alles ETEN, maar niet alles weten. (=Ik hoef je niet alles te vertellen.)
  35. Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt ETEN. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  36. Je zult stokvis ETEN. (=Je krijgt slaag.)
  37. letters ETEN (=veel boekenwetenschap opdoen)
  38. Liever vrij en geen ETEN dan een volle buik aan een ijzeren keten. (=Vrijheid is een hoger goed dan materiële welvaart.)
  39. Men eet om te leven, men leeft niet om te ETEN. (=Niet uitsluitend materiele zaken zijn van belang.)
  40. men moet geen paaseieren op goede vrijdag ETEN (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  41. Met de Adamsvorken ETEN. (=Met de vingers eten.)
  42. met de konijnen door de tralies kunnen ETEN (=zeer mager zijn)
  43. Met hem is het kwaad kersen ETEN. (=Het is beter hem te mijden.)
  44. met hoge heren is het kwaad kersen ETEN (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet altijd voordeel verwachten)
  45. met lange tanden ETEN (=met tegenzin eten)
  46. met zijn tien geboden ETEN (=zonder bestek met de vingers eten)
  47. Met zijn tien geboden ETEN. (=Zonder mes en vork.)
  48. naar zijn meug ETEN (=zoveel eten als men lust)
  49. ook van de mosterd ETEN (=veel geld aan iets verliezen)
  50. roet in het ETEN gooien (=de pret bederven of een plan laten mislukken)

69 betekenissen bevatten ` ETEN`

  1. het smelt als boter in de mond (=(van ETEN) het is erg mals)
  2. Al etende krijgt men trek / honger. (=Al ETENde krijgt men steeds meer trek (ook figuurlijk).)
  3. Het leven is meer dan eten en drinken. (=Alleen ETEN en drinken vult geen leven.)
  4. Iemand in de buik straffen. (=Als straf geen ETEN geven.)
  5. iemand de oren van het hoofd eten (=bij iemand erg veel ETEN)
  6. De admiraal heeft geschoten. (=De gastheer heeft het sein gegeven te gaan ETEN.)
  7. zand schuurt de maag (=een beetje zand ETEN is niet erg (meer algemeen: stel je niet aan!))
  8. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste ETEN op tafel zetten)
  9. van je buik een afgod maken (=erg veel geld uitgeven aan lekker ETEN en drinken)
  10. bij Sint Joris in de kost zijn (=ergens gratis ETEN)
  11. uit de muur eten (=fastfood ETEN)
  12. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van ETEN : het is de moeite niet, het is te weinig)
  13. Wat goed eet, schijt goed. (=Gezond ETEN laat het lichaam goed functioneren.)
  14. de tafel eer aandoen (=goed en veel ETEN)
  15. Zijn kaken roeren. (=Goed ETEN of praten.)
  16. Een vette bek halen. (=Goed ETEN.)
  17. zijn natje en zijn droogje lusten (=graag ETEN en drinken)
  18. haring in het land, dokter aan de kant (=haring ETEN is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  19. Eten als een paard. (=Heel veel ETEN)
  20. het is krabben op de naad (=het ETEN is op)
  21. Wortelen doet `t gat bortelen. (=Het ETEN van wortelen bevordert de stoelgang.)
  22. Hij is voor de fret. (=Hij houdt van lekker ETEN.)
  23. Hij is een smulpaap. (=Hij houdt van lekker ETEN.)
  24. Hij jaagt alles door het halsgat. (=Hij maakt alles op aan ETEN en drinken.)
  25. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn bord dan hij kan ETEN)
  26. Zien eten doet eten. (=Iemand zien ETEN bevordert de eigen eetlust.)
  27. iets achter de kiezen steken (=iets ETEN)
  28. Zijn maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=In moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig ETEN kan kopen.)
  29. De liefde van een man gaat door de maag. (=Je kan een man veroveren met goede kookkunst en lekker ETEN.)
  30. Het is beter de bakkers te paard, als de dokters. (=Je kunt beter voldoende en gezond ETEN, dan straks naar de dokter te moeten)
  31. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te ETEN)
  32. Een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=Je moet werken om te kunnen ETEN en kleding te kunnen kopen.)
  33. Hij maakt van zijn buik een afgod. (=Lekker ETEN en drinken vindt hij belangrijk.)
  34. De darmen zalven. (=Lekker ETEN en drinken.)
  35. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen ETEN om te kunnen leven)
  36. Met de Adamsvorken eten. (=Met de vingers ETEN.)
  37. met lange tanden eten (=met tegenzin ETEN)
  38. Daar wordt niet hard op gebikt. (=Met tegenzin ETEN.)
  39. De riem toehalen. (=Minder ETEN.)
  40. Eerst even uitbuiken. (=Na een flinke maaltijd het ETEN laten zakken.)
  41. niets kunnen binnenkrijgen (=niet kunnen ETEN)
  42. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis ETEN bij de ouders die voor je zorgen)
  43. Eten als een dijker. (=Onbeschoft veel ETEN.)
  44. Eten als een varken. (=Ongemanierd ETEN.)
  45. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker ETEN en drinken)
  46. op een droogje zitten (=op visite zijn en niks te ETEN of drinken krijgen)
  47. dominee brand je bekje niet (=pas op! Het ETEN of de drank is heet!)
  48. van december tot maart is de schol de pan niet waard (=platvis moet je in de zomer ETEN)
  49. De tafel de nodige eer bewijzen. (=Smakelijk gaan ETEN.)
  50. Een snijder heeft maar een darm. (=Spotternij van boeren, die veel meer ETEN dan de kleermaker.)

Het dialectenwoordenboek kent 242 spreekwoorden met ` ETEN`

  1. Bilzers: De moes Zjeezeke z'n ooge ni autstaeke (=Je moet zuinig omspringen met ETENswaar)
  2. Sint-Niklaas: we gô schoven ('t is schooftijd) (=etenstijd op het werk)
  3. Steins: dan aet dich mer get veur d'n hònger dae kump !! (=als iemand geen honger heeft wanneer 't ETENstijd is)
  4. Westels: een fritteke steken (=frieten ETEN)
  5. Merenaars: mi lange tannen ETEN (=eten zonder eetlust)
  6. Veurns: eten buuk stoa bie (=Overdreven veel ETEN)
  7. Lovendegems: zijn lizze vullen (=overvloedig ETEN*)
  8. Waregems: zijnen bolf vull'n (=veel ETEN)
  9. Veurns: eten lik een diekedelver (=Overdreven veel ETEN)
  10. Lokers: zijde mee lange taunden aunt ETEN (=treuzelend ETEN)
  11. Sint-Niklaas: da ETEN is me misvallen (=ik ben misselijk van het ETEN)
  12. Lopiks: Lekker hompen (=Flink ETEN)
  13. Westels: een frutje steken (=frieten ETEN)
  14. Booms: schoeffele (=gulzig ETEN)
  15. Erps: een kosch leggen (=veel ETEN)
  16. Alblasserdams: tege heugemeug ETEN (=met lange tanden ETEN)
  17. Overmeers: nen boot ETEN (=een boterham ETEN)
  18. Bilzers: de maajs ligge daud énde kas (=alle ETEN is op)
  19. brabants: Das goei voeier (=Dat is lekker ETEN)
  20. Zemst: Iet veur mene holle tand te vulle (=En kleinigheid ETEN)
  21. Tilburgs: vult oew gat onder oew neus (=door ETEN)
  22. Weerts: Op de ortelaone gaon (=Ergens lekker gaan ETEN)
  23. Susters: niks oppe tandj höbbe (=niets te ETEN hebben)
  24. Gents: op zijne kinne kloppen (=niets te ETEN hebben)
  25. Bargoens (kamptaal): Ik ga bikke (=Ik ga ETEN)
  26. Westfries: Prieken (=Spelen met je ETEN)
  27. kortemarks: zn buuksje e zielemesse doen (=lekker en veel ETEN)
  28. Munsterbilzen - Minsters: zen tein geboje gebreike (=met je handen ETEN)
  29. Lokers: Ou eetn dèdderen (=Uw ETEN prakken)
  30. Harelbeeks: Eet'n beuk stoa bie (=Veel en smakelijk ETEN)
  31. Veurns: eet'n buuk stoa bie (=veel ETEN)
  32. Bilzers: zene kéttel vofraete (=Zijn buikje rond ETEN)
  33. Kerkraads: wir jaond jets aese (=we gaan nu ETEN)
  34. Sint-Niklaas: 't ETEN is pikant (=dat ETEN brandt in mijn keel)
  35. Noorderkempisch: men ETEN is just van sloek (=men ETEN is juist van warmte)
  36. Sint-Niklaas: e piellukke gekapt ETEN (=een klein beetje gehakt ETEN)
  37. Diesters: me mes en verket eete (=beleefd ETEN)
  38. Sint-Niklaas: goe smjeiren (=goed ETEN en drinken)
  39. Genneps: Èete als enne róshowwer (=Erg veel ETEN)
  40. Munsterbilzen - Minsters: sloekke waaj ne sjierdosser (=eten als een paard)
  41. Bredaas: op de klep vallen (=komen ETEN)
  42. Zeeuws: t mo a lekker wezen wil k t nie lussen (=lekker ETEN)
  43. Munsterbilzen - Minsters: pikke waajen hin (=met lange tanden ETEN)
  44. Lovendegems: op zijne kinne kloppen (=niets te ETEN hebben *)
  45. Oudenbosch: op oewen onger blijve (=niets te ETEN krijgen)
  46. Ninoofs: op otel eet'n (=op restaurant gaan ETEN)
  47. wijlres: d'r buul toebinge (=ophouden met ETEN)
  48. Veurns: etwieën de rik uuteet'n (=veel ETEN)
  49. Rotterdams: ik ben geen bootwerker (=Teveel ETEN opgeschept krijgen)
  50. Westfries: dik en don (=vol van het ETEN)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen