de zegen

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  zexə(n)]
Verbuigingen:  zegen|s (meerv.)

1) woorden waarmee iemand de gunst en bescherming door God voor iemand of iets vraagt
Voorbeelden:  `iemand de zegen geven`,
`de zegen uitspreken over de stad en de wereld`
Synoniem:  heilwens
Mijn zegen heb je.  (van mij mag je het doen)

2) de voorspoed die God je geeft
Voorbeelden:  `Mijn kinderen zijn mijn grootste zegen.`,
`Ik wens je veel heil en zegen in het nieuwe jaar.`
Er rust geen zegen op dat huis.  (in dat huis hebben ze vaak pech)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanmoediging geluk gezegentoestand heil heilwens mazzel voorspoed wijding zaligheid zegenen zegening plaag (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• op hoop van zegen (=in de hoop dat het lukt)
• kinderen zijn een zegen des heren maar zij houden de noppen van de kleren (=kinderen opvoeden kost veel geld)
Naar de spreekwoorden

11 definities op Encyclo
  1. Syn.: zeegnet Def.: lap netwerk van zeer grote lengte en naar verhouding geringe hoogte, waarmee men de vis achtervolgt. Toelichting: Dit gaand viswant bestaat uit twee v...
  2. bepaald type visnet, dat vooral gebruikt werd bij de riviervisserij en de visserij op klein water. Het geheel bestaat uit een drijfnet met een soort zak of fuik met daara...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. [geen meervoud] heil, voorspoed; heilwensch; gebed; onder 's Hemels -, met den Goddelijken bijstand; [figuurlijk] hierop is geen -, ...
  4. woorden waarmee een priester de gunst van God over je afroept vb: hierbij geef ik u mijn zegen mijn zegen heb je! [ik vind het best wat je van plan bent]
  5. [Levensbeschouwing] Woorden waarmee iemand een gunst vraagt aan God.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met zegen:
zegen inzegenbedezegenbedenzegenbedeszegendezegendenzegenenzegeningzegeningenzegenrijkzegenszegentzegenvisserijzegenwenszegenwensen

Deze woorden eindigen op zegen:
neergezegen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. zegen (blijk van gunst)
  2. zegen (visnet)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `zegen` kennen.