de teller

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['tɛlər]
Verbuigingen:  teller|s (meerv.)

1) apparaat dat iets telt of meet
Voorbeelden:  `De teller stond op ruim 200.000.`,
`toerenteller`

2) wat bij een breuk boven of voor de streep staat wiskunde
Voorbeeld:  `In de breuk 3/4 is 3 de teller en 4 de noemer.`
Antoniem:  noemer

© Kernerman Dictionaries.

Spelling
Correct gespeld: 'teller' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Deze woorden beginnen met teller:
 tellers

Deze woorden eindigen op teller:
 aansteller frequentieteller kilometerteller muzieksamensteller opsteller pulsteller rijwielhersteller samensteller verteller

9 definities op Encyclo
I.) • [wiskunde] het getal boven de streep van een breuk.
II.) ladingschrijver;persoon die de colli van de geloste of geladen lading telt
III.) toestel voor het optellen of totaliseren van allerlei grootheden
IV.) meter
V.) is een softwareprogramma dat bijhoudt hoeveel bezoekers er op een site langskomen.
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `teller`.

Herkomst volgens etymologiebank.nl
teller = telder