de tand

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [tɑnt]
Verbuigingen:  tand|en (meerv.)

1) elk van de scherpe, uitstekende botjes voor in je mond waarmee je bijt
Voorbeeld:  `je tanden poetsen`
je tanden laten zien  (een dreigende houding aannemen)
je tanden stuk bijten op iets  (ergens erg je best voor doen maar niet het gewenste resultaat behalen)
je tanden ergens in zetten  (aan een zware klus beginnen)
iemand aan de tand voelen  (iemand streng ondervragen)
je tanden op elkaar zetten  (doorzetten en je boosheid of pijn niet laten merken)
de tand des tijds  (slijtage door ouderdom)
tot op de tanden gewapend  (met veel wapens)

2) uitstekende, smalle deeltjes van bijvoorbeeld een kam, zaag, vork of rad
Voorbeelden:  `de tanden van een zaag zetten`,
`tandwiel`

© Kernerman Dictionaries.

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn tanden laten zien. (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn.)
• zich met hand en tand verzetten (=zich zich heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
• van hand tot tand leven. (=uitsluitend in de meest elementaire levensbehoeften kunnen voorzien. / Het verdiende meteen weer uitgeven.)
• van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven)
• tot de tanden gewapend (=tot het uiterste bewapend)
Toon alle 19 spreekwoorden die tand bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je met tand een ander begrip versterken?
tot de tanden bewapend; tot de tanden gewapend; je met hand en tand verzetten; met hand en tand verdedigen;

14 definities op Encyclo
  1. Hard uitsteeksel van gemineraliseerd of deels gemineraliseerd weefsel dat wordt gevormd in de kaken van dieren; door de opbouw te onderscheiden van ander been. Categorie:...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), uitstekend been in den kinnebak; uitstekend (puntig) deel van verscheidene werktuigen en andere voorwerpen); [figuurlijk] van...
  3. Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 kant van een spitsgevel.
  4. Uit `De lagere vaktalen: Taal der bouwbedrijven` 1914 uitstekend deel van een steen boven een anderen.
  5. Dens..
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met tand:
tandaanslagtandartstandartsangsttandartsassistenttandartsassistentetandartsassistentestandartsbehandelingtandartsbezoektandartsboortandartsentandbederftandbeentanddetanddentandegtandeloostandemtandemstandentandenborstel
Toon alle woorden die beginnen met tand

Deze woorden eindigen op tand:
achterstandadressenbestandafstandbestandbijstandcomputerbestandeindstandgegevensbestandgeklappertandgeknarsetandgemoedstoestandgewatertandhandstandhoogstandklappertandknarsetandmiddenstandmisstandmisverstandhoektand
Toon alle woorden die eindigen op tand

Herkomst volgens etymologiebank.nl
tand (uitsteeksel in de kaak)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `tand` kennen.